Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gods gemeenschap en buiten Gods wet zich stelt, dan treedt de zondige toestand vanzelf in, zooals de duisternis intreedt, wanneer het licht verdwijnt. Fieri nequit quin maxime sese amet creatura, quam non absorpserit amor Dei (Melanchton). De mensch, zich onttrekkende aan de gemeenschap Gods, in welke hij geschapen werd, is niet anders denkbaar dan als een zondaar, schuldig en verdorven voor zijn aangezicht.

Diezelfde religieuze en ethische verandering, welke bij Adam plaatsgreep onder en bij zijn val, is ook het deel van al zijne nakomelingen. Dezen worden allen in dienzelfden zedelijken toestand geboren, als waarin Adam viel door zijne overtreding. Dit feit is haast voor geene ontkenning vatbaar. De Schrift leert het niet alleen, maar ervaring en geschiedenis bewijzen het dag aan dag. Indien iets zeker is, dan is het wel dit, dat menschen niet als rechtvaardigen en heiligen, maar als zondaren ontvangen en geboren worden. Dat wijst erop, dat zij ééne schuld met Adam gemeen hebben, want schuld en smet gaan in de zonde altijd saam. Twee uitersten zijn hier te vermijden. Aan de eene zijde wordt door sommigen geleerd, dat er bij Adam van geene zondige overlegging en begeerte vóór de daad van het eten van de verboden vrucht sprake kan zijn, want het begeeren daarnaar was geene zonde, doch slechts de natuurlijke werking van zijne lichamelijke neigingen. Als hij dat begeeren weerstaan had, zou hij van alle zonde vrij zijn gebleven. De zonde van Adam lag dus enkel en alleen in de daad van het eten, not in the inward state, but in the outward actx). Maar hier is tegen dat Gen. 3 ons duidelijk doet zien, hoe de slang langzamerhand twijfel, ongeloof en begeerlijkheid weet op te wekken in het hart van de vrouw. In de Christelijke theologie werd er daarom steeds op gewezen, dat de eerste zonde in hot bewustzijn ontstond en door allerlei overleggingen en neigingen zich voltooide in de daad 2). "Wanneer deze daad geheel uitwendig wordt opgevat en van alwat innerlijk voorviel wordt losgemaakt, dan schijnt de consequentie ook te eischen, dat de rechtvaardigmaking door het geloof niet alleen vooraf gaat aan, maar ook los komt te staan naast de wedergeboorte; althans Jones verklaart dat an unregenerate man can believe, en dat de Schrift daarom

') J. Cyndclylan Jones, Primeval Revelation, Studies in Gen. I—VIII. London 1897 bi. 253 v.

2). Zie bijv. Marck, Historia Paradisi bl. 526 v.

Sluiten