Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook zegt, dat G-od den goddelooze rechtvaardigt. Sinless man can sin—that is the mystery of the fall; an ungodly man can believe — that is the mystery of the rise 1).

Aan de andere zijde is het evenmin juist, om uit het feit, dat schuld en smet in de zonde steeds samengaan, het besluit te trekken, dat de smet eigenlijk aan de schuld voorafgaat. Edwards kwam hier reeds ten deele toe, omdat hij de zondige daad van Adam uit de vooraf ontstane zondige neiging trachtte af te leiden, en voor de laatste weer eene aanleiding zocht in de natuurlijke principes van 's menschen lagere natuur 2). Maar het geschiedde beslist en onomwonden in de school van Saumur, door Placaeus en al de voorstanders eener middellijke toerekening van Adams zonde 3). Deze voorstelling stuit echter op de ernstige bezwaren, dat er dan geen grond bestaat, waarom de nakomelingen van Adam onrein geboren worden; dat er voorts eene zedelijke onreinheid zou bestaan, die geene schuld is ; en dat de mensch eerst persoonlijk zondaar zou worden, door met eene wilsdaad in die onreine neiging in te stemmen. Daartegenover hebben de Gereformeerden steeds staande gehouden, dat er een objectieve grond moet bestaan, waarom alle nakomelingen van Adam schuldig en onrein geboren worden, en dat die grond geen andere kan zijn, dan dat zij op eene of andere wijze in Adam zeiven schuldig stonden. Sommigen hebben dit meer realistisch, anderen meer foederalistisch zoeken te verklaren, maar in beide gevallen is Adams overtreding de zonde van al zijne nakomelingen. Op grond daarvan, dat zij in Adam, hetzij als caput naturale hetzij als caput foederale, begrepen waren, zijn zij door ■God schuldig verklaard. Er gaat een xoitiu van God, als Rechter, over één mensch en ééne overtreding vooraf, en dit xqiuu behelsde het xaTaxQifice, het vonnis, dat niet alleen Adam maar ook al zijne nakomelingen, schuldig, onrein en des doods waardig waren, Rom. 5: 16. De geboorte in dezen toestand van schuld, onreinheid en verderf is de uitvoering van het vonnis, dat door God over Adams overtreding is geveld. Gelijk hij zelf door zijne overtreding terstond met schuld beladen, door de smet verontreinigd en aan den dood onderworpen werd, zoo heeft dit krachtens het oordeel Gods ook bij al zijne nakomelingen plaats. Schuld, smet en dood staan bij

') Jones, t. a. p. 256. 257.

2) Ridderbos, t. a. p. 171 v.

3) Zie boven bl. 88. Verg. ook Shedd, Dogm. Theol. II 170.

Sluiten