Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Adams nakomelingen in dezelfde verhouding als bij hemzelven en zijn zoo, in dat onderling verband, tot allen doorgegaan.

325. De weg, waarin dit peccatum originatum het deel aller menschen wordt, is niet die van imitatie, maar van generatie op grond van imputatie. Er gaat een xotua, een oordeel Gods vooraf, en krachtens dat oordeel worden alle menschen schuldig, onrein en stervende uit Adam geboren. Zij worden dit alles niet eerst op lateren leeftijd door hunne dadelijke zonden, maar zijn het van hunne ontvangenis en geboorte afaan. De dood is ten bewijze, want deze heerscht niet alleen over de volwassenen, maar in veel sterker mate nog over de kinderkens, zelfs de ongeborene; en die dood is naar de Schrift geen natuurproces, maar eene bezoldiging der zonde. Deze leer van de erfzonde werd door het Rationalisme als onredelijk veroordeeld, maar is in de vorige eeuw langzamerhand weer meer in hare waarheid erkend. Terwijl de achttiende eeuw dweepte met de natuurlijke goedheid van den mensch en de maatschappij aansprakelijk stelde voor alle zonde en gebrek, neemt men thans dikwerf het omgekeerde standpunt in: wijl de mensch afkomstig is van het dier, blijft hij ook nog altijd een dier in zijn hart; in ieder mensch schuilt la béte humaine; vitium hominis natura pecoris. Maar nu zijn er gelukkig de „heilige" maatschappij en de „goddelijke" staat, die dien ruwen, dierlijken mensch in den band houden en dwingen tot deugd; alle ondeugd is aangeboren en alle deugd is verworven 1). In verband met deze verandering in de beschouwing over 's menschen oorsprong en natuur kwam ook de leer der overerving op. "Want als er geene overerving was van in den strijd om het bestaan verworven eigenschappen, kon er natuurlijk van ontwikkeling en vooruitgang, vooral van afstamming van den mensch uit het dier, geen sprake zijn. In de descendentieleer van Darwin speelt die overerving dan ook een hoofdrol en op het standpunt der evolutie is zij niet ten onrechte de voornaamste oorzaak voor heel den vooruitgang van het menschelijk geslacht en zelfs „die grossartigste aller Naturerscheinungen" genoemd. Toch waren de feiten, waarop de theorie der overerving berust, voor een groot deel ook vroeger reeds bekend. Want dat elke soort haars gelijken voortbrengt, dat kinderen naar hun ouders aarden, dat niet alleen lichamelijke, maar ook allerlei geestelijke eigenschappen

') Brunetière, La moralité de la doctrine évolutive. Paris 1896.

Sluiten