Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vraatzucht, speelzucht, drankzucht, wellust, neiging tot diefstal, moord, of aanleg voor krankheden, als tering, jicht, epilepsie, hypochondrie, krankzinnigheid enz. En al deze eigenschappen gaan dikwerf van de ouders op de kinderen en kleinkinderen over tot in het derde en vierde geslacht, of springen soms eene of meer generaties over en keeren dan in latere afstammelingen terug. Deze feiten zijn zoo nauwkeurig en veelvuldig geconstateerd, dat aan de waarheid niet te twijfelen valt. Trouwens, ieder kent voorbeelden uit zijne eigene omgeving. Zelfs de spreekwoorden getuigen ervan: een goed kind, dat naar zijn vader aardt, en: een appel valt niet ver van den boom.

2°. Zoodra men deze feiten zoekt te rangschikken en te groepeeren, komt men echter terstond in groote moeilijkheid. Dat soorteigenschappen overerven, d. w. z., dat ouders steeds kinderen van dezelfde soort voortbrengen, staat wel vast, maar brengt in dit geval niet veel verder. Wel is het een feit van groote beteekenis, want er wordt ten duidelijkste door bewezen, dat soorten constant en aan eene wet, aan de wet van hun eigen aard, gebonden zijn. Maar deze wet der generatie: soort zoekt soort en brengt soort voort, is eigenlijk onderstelling van die herediteit in engeren zin, welke in overerving van allerlei, niet tot de soort als zoodanig behoorende eigenschappen bestaat. Welke van deze eigenschappen nu overerven en welke niet, is niet aan te geven; men kan ze niet naar dezen maatstaf indeelen. Dat ras- en varieteitseigenschappen constant worden overgeplant, is aan rechtmatigen twijfel onderhevig ; er zijn zonder twijfel rassen, ook onder de menschen, die van eeuw tot eeuw blijven bestaan (het Indogermaansche, Semitische ras enz.), maar deze rassen zijn indertijd in de ééne menschheid ontstaan, zonder dat wij weten hoe, en zonder met zekerheid te kunnen zeggen, dat zij ook in de toekomst onder gansch andere omstandigheden zullen blijven bestaan. Dit weten wij wel, dat het ras, bijv. van planten en dieren, door selectie veranderd en verbeterd kan worden, maar deze verbetering is beperkt, tijdelijk, van de cultuur van den mensch afhankelijk. Gewoonlijk is na vier of vijf generaties de hoogte der verbetering bereikt; zoodra men met de selectie ophoudt, keeren de nakomelingen tot het oude type terug; de aangebrachte eigenschappen worden niet in de natuur der schepselen opgenomen, maar houden de neiging, om tot den oorspronkelijken vorm terug te keeren. Dat eindelijk individuëele, verworvene eigenschappen van ouders op kinderen overgaan, is wel door Darwin e. a. beweerd, maar wordt door A. Weissmann, hoog-

Sluiten