Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij in het allereerste moment van haar ontvangenis vrij van erfzonde is bewaard.

Voor dit dogma is echter in de Schrift niet de zwakste grond aanwezig. Thomas zeide ronduit, quod de sanctificatione B. Mariae, qnod scilicet fuerit sanctificata in utero, nihil in Scripture canonica traditur 1). De Roomsche theologen zijn hiermede dan ook in niet geringe verlegenheid, zoeken allerlei redenen, om deze ^verborgenheid van Maria" in de Schrift te verklaren, en dwingen de vreemdste teksten tot een schijn van bewijs. Zoo beroepen zij zich op Gen. 3:15, Ps. 45:11 v., Hoogl. 1: 8 16, 2.2, 3.6, 4:1 v., 6:9, Wijsh. 1:4, Luk. 1:28, 41, 48, Op. 12 en optypen als de ark van Noach, de duif met den olijftak, het brandende doornbosch 2) enz. ] maar al deze aanhalingen en redeneeringen dienen slechts om hun armoede aan argumenten te bedekken en hebben geen weerlegging van noode. Veeleer leert de Schrift beslist, dat alle menschen, behalve Christus alleen, zondaren zijn; voor Maria wordt nooit eene uitzondering gemaakt ; al staan er geene bepaalde zondige woorden of daden van haar opgeteekend, ook niet in Mk. 3:21, Joh. 2: 3, toch verheugt zij zich in God haren Zaligmaker, Luk. 1:47, wordt zij wel om haar moederschap van Christus, maar nooit om haar zondeloosheid zalig gesproken, Luk. 1: 28, 48, wordt ook in dit moederschap op zichzelf achtergesteld bij wie Jezus' moeder en broeders en zusters zijn in geestelijken zin, Mt. 12:46 v., Mk. 3:31 v., Luk. 8:21, en volhardt met de apostelen in bidden en smeeken, Hd. 1: 14. Ook de kerkvaders leeren noch de onbevlekte ontvangenis noch ook de zondeloosheid van Maria ; Irenaeus, Tertullianus, Origenes enz. spreken bij Ijaar van dadelijke overtredingen 3); en zelfs Roomsche godgeleerden kunnen dit niet loochenen. Dr. von Lehner zegt, dat dit de toenmaals heerschende beschouwing was 4); Schwane erkent,, dat de traditie uit dien tijd evenmin stringente bewijzen levert als

') Thomas, S Theol. III qu. 27 art. 1.

Verg. bijv. Spencer Northcote, Maria in den Evang. Mainz 1889. Schaefer, Die Gottesmutter in der h. Schrift. Miinster 1867. Scheeben, Dogm. III455—472.

3) Irenaeus, adv. haer. III 16, 7. Tertullianus, de carne Chr. 7. Origenes, bom. in Luc. 17. Ernst Lucius, Die Anfange des Heiligenkults in der Chr. Kirche, na zijn dood uitgegeven door Gustav Anrich, Tub. Mohr 1904, geeft bl. 420 504 een breedvoerig overzicht van de wijze, waarop de vereering van Maria is opgekomen en toegenomen.

4) Dr. von Lehner, Die Marienverehrung der ersten Jahrh. Stuttgart 1881 bl. 151.

Sluiten