Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de H. Schrift1), en Scheeben stemt toe, dat de persoon van Maria in de eerste vier eeuwen op den achtergrond treedt en in relatieve Dunkelheit verkeert 2). Hoogstens werd alleen propter honorem Domini geloofd, dat Maria door bijzondere genade vrij van dadelijke zonden was gebleven 3). Zelfs toen sedert de vijfde eeuw de vereering van Maria hoe langer hoe meer toenam en later nog het feest van hare ontvangenis opkwam, leerden de voornaamste theologen —- gelijk Canns, Scheeben e.a. ook erkennen *) — wel eene sanctificatio B. Virginis post animationem et contractionem peccati in anima, maar bestreden eene praeservatio, die apriori Maria van alle erfzonde vrijhield B). Maar Duns Scotus bracht hierin wijziging ; hij betoogde dat, al was Maria ook in Adam begrepen, God haar toch wel in het allereerste oogenblik van hare ontvangenis de gratia schenken kon, die van alle zonde haar vrijhield. En wijl dit Gode, Christus en Maria waardiger en met het gezag der Schrift en der kerk niet in strijd was, achtte hij het probabile, quod excellentius est attribuere Mariae 6). En daarmede is ook de grond aangegeven, waarop bij Rome dit dogma rust. Het heeft geen steun in de Schrift noch in de traditie der oude kerk, maar het is, evenals de hemelvaart van Maria, eenvoudig eene gevolgtrekking uit het middelaarschap, dat haar allengs toegekend werd. Het is niet passend, niet „conveniens", dat Maria in zonde ontvangen is, zonde gedaan heeft en gestorven is. Zij moet zondeloos zijn, en daarom is zij het, al wordt het door Schrift noch traditie geleerd 7).

327. Even uitgebreid als de erfzonde is in de menschheid, is zij het ook in den enkelen mensch. Zij heerscht over den ganschen

*) Schwane, D. G. I9 382.

2) Scheeben, Dogm. III 474. 476.

3) Augustinus, de nat. et gr. 36. Damascenus, de fide orthod. IV 14.

4) Canus, Loc. VII c. 1. Scheeben, Dogm. III 541 v.

) Anselmus, Cur Deus homo II 16. Lombardus, Thomas, Bonaventura op Sent. III dist. 3. Thomas, S. Theol. II 1 qu. 81 art. 3. III qu. 27 art. 1. 2. Comp. Theol. c. 224.

6) Duns Scotus, Sent. III dist. 3 qu. 1.

\ erg. Preuss, Die röm. Lehre v. d. unbefleckten Empfangniss 1865. Benrath, Zur Gesch. der Mariaverehrung, Stud. u. Krit. 1886. Ha se, Handbuchder prot. Polemik5 1891 bl. 379 v. Tschackert, Evang. Polemik gegen die röm. Kirche 1885 bl. 118 v. Zöckler, art. Maria in PRE3 XIII 309—336. J. B. Mayor, Art. Mary in Hastings, D. B. III 286—293. Bolland, Rome en de geschiedenis. Leiden 1897 bl. 1—53.

Geref. Dogmatiek III. Q

Sluiten