Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toonen God en den naaste te haten, dragen geene andere natuur dan welke alle menschen deelachtig zijn.

3° Als geleerd wordt, dat de mensch door de zonde onbekwaam is tot eenig goed en deze onbekwaamheid eene natuurlijke wordt genoemd, is daarmede geen physische noodzakelijkheid of fatalistische dwang bedoeld. De mensch heeft door de zonde zijn wil en de hem ingeschapen vrijheid niet verloren; de wil sluit krachtens zijne natuur allen dwang uit en kan niet anders dan vrij willen. Maar de mensch heeft wel verloren de vrije neiging van den wil tot het goede ; hij wil nu niet meer het goede doen; hij doet thans vrijwillig, uit neiging, het kwade;,d§ neiging, de richting van den wil is veranderd; semper est in nobis voluntas libera, sed non semper est bona 1). De onmacht ten goede is in dezen zin niet physisch, maar ethisch van aard; zij is eene onmacht van den wil. Sommigen spraken daarom liever van zedelijke dan van natuurlijke onmacht, Amyraldus, Testardus, Yenema 2), en vooral Jonathan Edwards. Edwards had n.1. in zijne dagen de onmacht des menschen te verdedigen tegen Whitby en Taylor, die de erfzonde loochenden en den mensch in staat achtten, om Gods wet te onderhouden. Zij wierpen hem tegen, dat, indien de mensch Gods wet niet kon onderhouden, hij het ook niet behoefde te doen en, als hij het dan niet deed, ook niet schuldig was. Om daartegen zich te verdedigen, maakte Edwards onderscheid tusschen natuurlijke en zedelijke onmacht, en zeide, dat de gevallen mensch wel de natuurlijke, maar niet de zedelijke kracht had, om het goede te doen. En hij voegde er aan toe, dat alleen natuurlijke onmacht werkelijk onmacht was, maar zedelijke onmacht slechts in oneigenlijken zin zoo heeten kon. De zonde is n.1. geen physiek gebrek in de natuur of de krachten van den wil; maar ze is een ethisch gebrek, een gebrek aan genegenheid, liefde tot het goede 3). Nu zeide Edwards wel, dat de mensch zichzelf die genegenheid tot het goede niet schenken en zijn wil niet veranderen kon; in dit opzicht stond hij geheel aan de zijde van Augustinus en Calvijn. Maar door zijne weigering, om dezen onwil ten goede natuurlijke onmacht te noemen, heeft hij veel misverstand gekweekt en feitelijk het Pelagianisme bevordeid.

') Augustinus, de gratia et lib. arb. 15. Voor de Gereformeerden zie jnen Heppe, Dogm. 237. 264. W. Cunningham, The Reformers and the theology of the Reformation bl. 471 v. Id., Historical Theology I 568 v.

■) Bij De Moor, Comui. III 231—233.

■) Edwards, Freedom of the will, Works II 1—190. \ erg. Ridderbos, De Theol. van Jon. Edwards bl. 77 v.

Sluiten