Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Gereformeerden hebben daarom vóór en na van natuurlijke onmacht gesprokeD. Dit woord natuurlijk kan echter een verschillenden zin hebbenx). Men kan er mede het oog hebben op de oorspronkelijke, door God in Adam naar zijn beeld geschapen menschelijke natuur, zooals de Protestanten zeiden dat het beeld Gods natuurlijk was, — dan is de onmacht ten goede niet natuurlijk, maar veeleer in strijd met de natuur, onnatuurlijk en beneden-natuurlijk 2). Men kan er mede bedoelen de physische substantie of kracht van eenig schepsel, en ook dan is de onmacht, wijl alle substantie en kracht door God geschapen is, niet natuurlijk te noemen. De onbekwaamheid ten goede is geene physische onmogelijkheid, zooals het bijv. voor een mensch onmogelijk is, om met zijne hand aan de sterren te raken. Maar men kan, sprekende van natuurlijke onmacht, ook denken aan de eigenschappen der gevallen menschelijke natuur en ermede te kennen geven, dat de onbekwaamheid ten goede nu in den gevallen toestand aan ieder mensch „van nature" eigen is, hem van het eerste oogenblik van zijn bestaan af aangeboren is en niet eerst door gewoonte, opvoeding, navolging van buiten af in hem aangebracht is. In dezen zin is de naam van natuurlijke onmacht volkomen juist, en die van zedelijke onmacht vooi misverstand vatbaar. Zedelijk onmogelijk heet immers menigmaal datgene, wat op grond van iemands karakter, gewoonte, opvoeding voor onmogelijk door hem te geschieden gehouden wordt; het is zedelijk onmogelijk, dat een deugdzaam mensch in eens een dief wordt, een moeder haar kind haat, een moordenaar een onschuldig kind worgt. Dat zedelijk onmogelijke heeft desniettemin in sommige omstandigheden wel terdege plaats. Zoo is het met de onbekwaamheid ten goede niet. Zij is wel ethisch van aard en eene onmacht van den wil, maar zij is den mensch van nature eigen, zij is hem aangeboren, zij is eene eigenschap van zijn willen zelf. En juist, omdat de wil ook thans in den gevallen toestand krachtens zijne natuur niet anders dan vrij willen kan, kan hij niet anders willen dan wat hij wil, dan datgene waartoe hij van nature geneigd is 8). 4°. Eindelijk moet men in het oog houden, dat Schrift en kerk,

) "V erg. over het begrip : natuur, Geesink, Van 's Heeren Ordin. I bl. 1 v. 2) Zoo ook Angustinus, bij A. M. Weiss, Apol. des Christ. II 71 v.

J) \erg. Thomas, c. Gent. IV 52. Formula Conc. I. 12. Calvijn, op Ef 2:3. Ursinus, e. a. op Heid. Cat. vr. 5. 8. Cons. Helv. § 21. 22. Turretinus, Theol. El. X 4, 39. De Moor, Comm. III 232. M. Vitringa, Doctr. Chr. II 362 v. Hodge, Syst. Theol. II 257—272. Shedcl, Dogm. Theol. II 219—257, III 364—374 enz.

Sluiten