Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gers der evolutie zijn teruggekeerd tot de leer van Mandeville, Helvetius, Diderot, d'Alembert enz., dat egoïsme de basis is der moraal en de norma van alle menschelijk handelen; de menscli is van de dieren afkomstig en hij blijft in den grond een dier, door egoïstische instincten geleid ; beschaving kan temmen, maar nooit van den mensch iets anders maken dan wat hij oorspronkelijk en naar aanleg is; wat wij zedelijk leven noemen, is een toevallig product van de omstandigheden, van het leven der menschen in eene bepaalde maatschappij ; onder andere omstandigheden en in eene andere maatschappij zouden goed en kwaad een geheel anderen inhoud hebben l). In zijn Ethisch idealisme maakt De Bussy een groot onderscheid tusschen den moreelen mensch, wiens egoïstische natuur door de gemeenschap bedwongen is in haar willekeur maar niet vernietigd, wiens deugden menigmaal splendida vitia zijn, en den zedelijken mensch, in wien een nieuw beginsel is geplant 2).

Het is dus waarlijk de Schrift niet alleen, die hard over den mensch oordeelt. Het zijn menschen, die over menschen het hardste en strengste oordeel hebben geveld. En dan is het altijd nog beter) in de hand des Heeren dan in die der menschen te vallen, want zijne barmhartigheden zijn vele. Immers als God ons veroordeelt, dan biedt hij tegelijk in Christus zijne vergevende liefde aan, maar als menschen menschen veroordeelen, stooten zij hen menigmaal van zich en geven hen aan hunne verachting prijs. Als God ons veroordeelt, dan laat Hij dit oordeel ons brengen door menschen, profeten en apostelen en dienaren, die niet hoog als heiligen zich boven ons stellen maar met allen zich samenvatten in gemeenschappelijke belijdenis van schuld ; maar de wijsgeeren en moralisten, de menschen verachtend, vergeten daarbij meestal, dat zij zeiven menschen zijn. Als God ons veroordeelt, dan spreekt Hij van zonde en schuld, die wel groot is en zwaar, maar die toch weggenomen kan worden, wijl zij niet behoort tot het wezen van den mensch ; maar de moralisten spreken menigmaal 'van egoïstische, dierlijke neigingen, die den mensch krachtens zijn oorsprong eigen zijn en tot zijn wezen behooren; zij slaan hem wel neer, maar beuren hem niet op; indien wij van huis uit dieren zijn, waarom behooren wij dan te leven als kinderen Gods ?

') Darwin, Afst. d. menschen, hoofdst. B—5. Büchner, Kraft und Stoft, 16e A. 478—492. W. Wachter, Bestia Sum. Einige Kapitel über die Kehrseite des Menschtums. Berlin 1908.

') Amsterdam 1875 bl. 22 v.

Sluiten