Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WEZEN EN WERKING DER ZONDE.

123

geboden; ze was immer ongehoorzaamheid aan God, twijfel, ongeloof, zelfverheffing, hoogmoed, doodslag, diefstal, begeerlijkheid enz.; en dienovereenkomstig werden er ook verschillende gedachten, aandoeningen, lusten, bewegingen in den mensch gewekt; verstand en wil, ziel en lichaam namen er aan deel !). Zij was eene bewuste en vrije daad, afiaQTia, nccQuftctGig, TtccQccTtTai^ia, nccQcexorj in eigenlijken zin, Rom. 5 :12 v.

Ofschoon verleid, zijn de eerste menschen toch niet als onnoozele kinderen, zonder beter te weten, ten val gebracht. Zij hebben Gods gebod met bewustheid en vrijheid overtreden; zij wisten en wilden, wat ze deden. Verontschuldigingen komen hier niet te pas. De omstandigheden, waaronder de eerste zonde door engelen en menschen bedreven werd, strekken niet tot vergoelijking, maar vermeerderen de schuld. Zij werd begaan tegen Gods uitdrukkelijk en duidelijk gebod ; door een mensch, die naar Gods beeld was geschapen ; in eene zaak van zeer geringe beteekenis, die schier geene zelfverloochening vorderde; en wellicht korten tijd, nadat het gebod ontvangen was. Ze is de bron geworden van alle ongerechtigheden en gruwelen, van alle rampen en onheilen, van alle krankheid en dood, die sedert in de wereld bedreven en geleden zijn. Hinc illae lacrimae! De zonde van Adam kan geene kleinigheid zijn; ze moet eene principiëele omkeering van alle verhoudingen zijn geweest, eene revolutie, waarbij het schepsel zich losmaakte van en stelde tegenover God, eeji opstand, een val in den meest eigenlijken zin, die voor heel de wereld beslissend was en haar leidde in eene richting en op een weg, van God af, de goddeloosheid en het verderf tegemoet, ineffabiliter grande peccatum 2). Zoo ernstig werd in de Christelijke kerk en theologie de eerste zonde opgevat; ze was een val in eigenlijken zin, geene halfbewuste, schier onschuldige afwijking, en nog veel minder een ontwikkeling en vooruitgang 3).

329. De velerlei namen, welke de H. Schrift voor de zonde bezigt, wijzen haar ontzettend karakter en hare veelzijdige ontwikkeling aan. man heet de zonde als een handeling, die haar doel

*) Tertullianus, adv. Jud. 2. Augustinus, Enchir. 45. Marck, Hist. Parad. III c. 2.

2) Augustinus, Op. imp. c. Jul. I 165.

3) Augustinus, de civ. XIV 11—15, XXI 12. Enchir. 26. 27. 45. Thomas, S. Theol. II 2 qu. 163 art. 3. Conc Trid. V 1. Bellarminus, de am. gr. 111*8—10. Scheeben, Dogm. II 594. Ned. Gel. art. 14. Heid. Cat. vr. 7. 9. Mastricht, Theol. IV<1, 15. Marck, Hist. Parad. III 2, 10 enz.

Sluiten