Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WEZEN EN WERKING DEK ZONDE.

125

dood onderworpen. Deze invloed van Adams overtreding sluit niet uit, maar sluit in, dat alle mensclien zelf ook persoonlijk zondaren zijn. AVant juist omdat door de ééne overtreding van Adam de zonde in de menschenwereld is gaan heerschen en allen dientengevolge ook zelf persoonlijk zondaren waren, daarom is de dood ook tot allen doorgegaan. Meer zegt Paulus in Rom. 5:12v. niet. Dat was daar, in dat verband voldoende. Maar van elders kan dit antwoord worden toegelicht en aangevuld. Als er van Adam tot Mozes zonde en dood is geweest, Rom 5 :13, 14, dan moet er ook eene wet hebben bestaan, wel geene positieve, die met hoorbare stem door God is afgekondigd, zooals in het paradijs en op den Sinai, maar toch wel eene wet, die ook de menschen toen persoonlijk bond en schuldig stelde. Dat zegt Paulus ook duidelijk in Rom. 2 : 12 26. De Heidenen hebben de Mozaïsche wet niet, maar ze zondigen toch en gaan verloren avojuLwg, omdat zij zichzelven eene wet zijn en hun conscientie zelve hen beschuldigt. Er is eene openbaring Gods in de natuur beide van religieuzen en ethischen inhoud, welke genoegzaam is, om alle onschuld te benemen, Rom. 2 :18v., 1 Cor. 1 : 21. Terwijl God echter de Heidenen wandelen liet op hun eigen wegen, maakte Hij aan Israël zijne wetten en rechten op duidelijke wijze bekend. En deze wet is nu voor Israël de maatstaf van alle zedelijk handelen.

In den laatsten tijd is dit zeer sterk bestreden. Natuurlijk kwam het begrip van zoude bij Israël van ouds, evenals bij alle andere volken l), voor; maar men beweert, dat zonde oorspronkelijk nog niets met het zedelijke te maken had. Niet alleen was het ten eenenmale onbekend, dat de zonde in eene gezindheid, in eene innerlijke neiging en richting van het hart kon bestaan, maar ook bij de zondige daden dacht men aan gansch iets anders, dan wat wij gewoonlijk daaronder verstaan. Het besef van de zonde ontbrak schier geheel. Maar er heerschte in het oude Israël algemeen deze gedachte, dat de ellende, wfarin men verkeerde, de krankheid, waardoor men bezocht werd, de nederlaag, die men in den oorlog leed enz., bewijzen van Jhvhs toorn waren, en dat men dus op de eene of andere wijze tegenover Hem ongelijk had, Gen. 42 : 21—22, Joz. 7 : llv., I Sam. 4:3, 14 : 37—44, 2 Sam. 21:1. Het woord san beteekende oorspronkelijk ook niets anders dan, tegenover een

) Hcistings, D. B. IV 534; waar Westcott, Religious thought in the West, wordt aangehaald.

Sluiten