Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

"WEZEN EN WERKING DER ZONDE.

127

kwaad in de oogen des Heeren; van Jozef wordt gezegd, dat hij God vreest, Gen. 42:18, en niet wil zondigen tegen God, 39 : 9; David wil zijne hand niet slaan aan den gezalfde des Heeren, 1 Sam. 24: 7, 2 Sam. 1:14, looft den Heere, dat Hij hem teruggehouden heeft van zich aan Nabal te wreken, 1 Sam. 25:39, en belijdt in de zaak van Uria en Bathseba, dat hij tegen den Heere gezondigd heeft, 2 Sam. 12 : 13 enz. Al deze getuigenissen bewijzen overvloedig, dat ook het oude Israël de zonde wrel terdege reeds kende als een kwaad voor Gods aangezicht. En onder dat kwaad werd niet alleen de zondige daad, maar ook de zondige gezindheid verstaan. Hoe zou dat anders kunnen bij eene beschouwing van den mensch, waarin het hart zulk eene ruime plaats inneemt ? Reeds in Gen. 6:5, 8: 21, wordt door God gezegd, dat het gedichtsel van de gedachten des harten bij den mensch boos is van der jeugd aan, en elders heet het telkens, dat God het hart en de nieren proeft, Ps. 7 : 10, 17 : 3, 26 : 2, 139 :13, Jer. 11: 20, 17 :10, 20: 12, dat Hij het hart aanziet, 1 Sam. 16: 7, dat Hij het hart van den mensch eischt, 1 Kon. 11 : 4, 15 :13, Jes. 29 : 13, Ezech. 33 :31, Spr. 23:26, omdat daaruit de uitgangen des levens zijn, Spr. 4:23, dat Hij een rein, een nieuw, een vleeschen hart schenkt, Ps. 51: 12, Jer. 24 : 7, 31 : 33, 32 : 39, Ezech. 11 :19, 36 : 26 enz. »). En hierbij neme men nog in overweging, dat in het Jahvistisch verhaal van Gen. 3 de eerste zonde bestaat in eene overtreding van Gods gebod; dat de broedermoord door den Heere in Gen. 4: lOv. streng wordt afgekeurd; dat de boosheid der menschen,

niet alleen in daden maar ook in het gedichtsel van hun hart,

door den Heere werd aanschouwd, Gen. 6:5, en den zondvloed noodzakelijk maakte; dat God den doodslag van een mensch verbiedt, Gen. 9:6, en bij Babel der menschen hoogmoed straft, Gen. 11: 5 enz.

Hiermede is volstrekt niet in strijd, dat de volkszede dikwerf als een maatstaf van het zedelijk handelen geldt, want Joz. 7 :15 leert duidelijk, dat beide: het overtreden van het verbond Gods en het doen van eene dwaasheid in Israël, zeer goed samen kunnen gaan. De volkszede is op zichzelve even weinig met Gods wet in strijd, als het geweten, dat ook eene ondergeschikte, subjectieve norma van het zedelijk leven is, en blijft daarom altijd, ook in de uitnemendste maatschappij, eene norma normata. Vandaar, dat God,

!) Wildeboer, Theol. Studiën 1903 bl. 109—118. 1906 bl. 94—110.

Sluiten