Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

129

zijn Israël gaf. Het volk verviel telkens tot afgoderij, beeldendienst en allerlei keidensche gruwelen; en als ket uitwendig aan den Heere trouw bleef, ver kief ket ziek op zijne verkiezing, op ket bezit van den tempel, op zijn slackt- en brandoffers, en meende daarmede den Heere welbehagelijk te zijn. Zelfs de vromen bleven zondaren, die dagelijks struikelden in velen. Vele daden, die van de keiligen in ket Oude Testament worden verkaald, van Noach, Abrakam, Izak, Jakob, Rackel, David enz. zijn daarom beslist te veroordeelen, en niet, omdat zij geloovigen waren, met de Rabbijnen te verontschuldigen. Het wezen der zonde wordt ten slotte niet bepaald door wat onder Israël gebruikelijk was of soms plaats had, maar door de wet Gods.

Deze wet bevatte, in verband met de ganscke heilsoeconomie, niet alleen zedelijke, maar ook burgerlijke en ceremoniëele geboden. De zonde was dus in zekeren zin een veel ruimer begrip dan thans bij ons, want zij omvatte ook alles, wat met de burgerlijke wetgeving en met de levietiscke reinkeid in strijd was. Daardoor werd de zonde uitgebreid en vermeerderd, werd haar wezen als het ware langs uitwendigen weg tot bewustzijn van het volk gebrackt, maar werd ook ket gevaar geboren, om de zedelijke geboden lickt te ackten en in uitwendige, levietiscke reinkeid de gerecktigkeid te zoeken ; de profetie drong daarom ten allen tijde op den eisck des Heeren aan, dat gekoorzaamkeid en barmhartigheid beter zijn dan offeranden. Voorts waren alle geboden onder Israël ééne wet, onder de bescherming der overheid gesteld ; alle zonde kreeg dus ket karakter van eene misdaad ; ze was eene overtreding van Gods wet, maar tegelijk van de staatswet; eene verbreking van ket verbond met God, maar ook van den band met het volk ; wie dus eene zonde gedaan kad met opgekeven kand, wie moedwillig en opzettelijk ket verbond had gebroken, moest uit de gemeensckap van God en van zijn volk verwijderd worden. En eindelijk, zonde en straf waren onder Israël zeer nauw verbonden. Ieder Israeliet was en beschouwde zich als deel van het geheel, als lid der volksgemeensckap. Deze gemeensckap van gezin, familie, geslackt, volk was veel sterker en werd veel dieper dan tegenwoordig onder ons gevoeld, al keeft men daaruit ten onreckte afgeleid, dat ket individu toen zoo goed als niets beteekende »). Men rekende zickzelf in die gemeensckap en deelde

') Max Löhr, Socialismus und Individualismus im A. T. Giesen 1906, heeft het onjuiste dezer meening van Stade, Smend e. a. duidelijk aangetoond.

Geref. Dogmatiek III. n

Sluiten