Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

130

WEZEN EN WEBRING DER ZONDE.

dus vanzelf in haar lot, in haar zegen, maar ook in haar oordeel en straf. De wet sprak dit zelve nit en nam het in hare geboden op, Ex. 20:5, 6, 12; met de ouders werden de kinderen gezegend en gestraft. Vandaar dat het woord nsan beteekenen kan zoowel zonde, als ook straf en zoenofferande (zondoffer *); beide lagen vlak bij elkaar, als de zonde niet verzoend werd, moest zij gestraft worden. Daardoor werd onder Israël het bewustzijn van de schuldigheid en de doemwaardigheid der zonde gewekt. En als het heden aan dezen eisch niet beantwoordde, als het leven telkens den voorspoed der goddeloozen en de verdrukking der vromen te aanschouwen gaf, dan werd daaruit de verwachting geboren van een onschuldig lijden om anderer schuld, van den lijdenden knecht des Heeren, die om onze ongerechtigheden verbrijzeld wordt en door zijne striemen ons genezing aanbrengt. D&jEfit is na de belofte gekomen, maar wordt nu verder ook aan hare vervulling dienstbaar.

Ten slotte merke men nog op, dat er in de zedelijke geboden van de tweede tafel der wet altijd eene groote overeenstemming tusschen de volken bestaat, wijl het werk der wet in hunne harten geschreven blijft, Rom. 2 :15. Maar het nieuwe en ongewone in de wetgeving van Israël is, dat aan de tweede tafel de eerste voorafgaat, en dat daarin zoo sterk mogelijk de dienst van den Heere, als Israels God, alleen wordt voorgeschreven. Terwijl alle andere volken het polytheïsme huldigen en dientengevolge aan allerlei superstitie en magie zich schuldig maken, is onder Israël alle afgoderij en beeldendienst, alle waarzeggerij en tooverij, alle misbruik van des Heeren naam en alle ontheiliging van den Sabbat, dit teeken des verbonds, Ex. 31:17, Jes. 56 : 6, ten strengste verboden.

') Dat het werkwoord isr^n in Ex. 5 :16, 1 Kon. 1 : 21, 2 Kon. 18 :14 de beteekenis heeft van: in het ongelijk zijn of gesteld worden tegenover een machtigere, zonder bijgedachte van schuld, is volstrekt niet bewezen. Het woord beteekent eigenlijk missen, Richt. 20:16, en zou dus die ruimere beteekenis wel toelaten. Maar de genoemde plaatsen bewijzen dit niet. In Ex. 5 :16 zeggen de Israelieten eenvoudig tot Farao: wij krijgen geen stroo en moeten toch tichelsteenen maken, en als wij ze niet maken, worden wij toch geslagen en krijgen wij de schuld. In 1 Kon. 1: 21 zegt Bathseba tot David: als gij niet beslist en Adonia koning wordt, dan zullen wij, Bathseba en Salomo, straks de schuldigen zijn, die door Adonia worden gedood, omdat wij hem niet erkennen, terwijl wij toch feitelijk, op grond van uw eed, vs. 17, gelijk hebben. En in 2 Kon. 18:14 doet Hizkia eene belijdenis van schuld, die hem in den nood wordt afgeperst en die hij zelf later niet erkent. In al deze plaatsen behoudt dus het woord zijne gewone beteekenis.

Sluiten