Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WEZEN EN WEKKING DES ZONDE. 181

Hierin ligt het onderscheidende van Israels religie: de Heere, die Israël verkoor, is de eenige God, de God des rechts maar ook de God der genade en der verlossing; zijne wet is eene bondswet; omdat Israël des Heeren volk is uit genade, moet het wandelen in zijne wegen. Daarop valt in het Oude Testament altijd de volle nadruk; de zonde moge groot of klein zijn, zij is slechts daarom zonde, wijl zij tegen God en zijne wet ingaat, Gen. 13:13, 20: 6 39 : 9, Ex. 10 :16, 32 : 33, 1 Sam. 7:6, 14 : 33, 2 Sam. 12 :13, Ps! 51: 6, Jes. 42 : 14, Jer. 14: 7, 20 enz. Als de Heere in de toekomst zijn Geest zal uitstorten, dan zal dit daartoe strekken, dat de kinderen Israels in zijne inzettingen zullen wandelen en zijne rechten zullen bewaren en doen, Ezech. 36 :27. En de bede der vromen was, dat hunne wegen gericht werden, om zijne inzettingen te bewaren, Ps. 119:5.

Het Nieuwe Testament neemt principiëel hetzelfde standpunt in. Jezus stelt niemand minder dan God zeiven tot voorbeeld, Mt. 5 : 48,

en beoordeelt alles naar zijne wet, Mt. 19 :17—19, Mk. 10 :17 19,

Luk. 18 :18—20. Deze is voor Hem de inhoud van wet en profeten ; Hij handhaaft haar ten volle, zonder er iets af te doen, Mt. 5 :17—19 23v., 6 : 16v., 21:12v., 23: 3, 23, 24:20, en beoordeelt juist van dit standpunt uit alle menschelijke inzettingen, Mt. 5 :20v. 15 : 2v., Mk. 2 :23v., 7:8, 13 enz. In Mt. 7 :12 stelt Hij dan ook geen nieuw ethisch principe op, maar geeft Hij niets anders dan eene practische interpretatie van het gebod der naastenliefde. Desniettemin wordt het zondebegrip en zondebesef door Christus verscherpt en verdiept. Juist door van de menschelijke inzettingen tot de wet Gods in het Oude Testament terug te gaan, doet Hij die wet ons weer kennen in haar geestelijk karakter, Mt. 5, herleidt Hij haar tot één beginsel, n.1. de liefde, Mt. 22 : 37—40, en doet ze ons kennen als één geheel, verg. Jak. 2 : 10. Naar die wet oordeelende, ontmaskert Hij de huichelarij, Mt. 23, verbreekt den bandtusschen het ethische en het physische, Mk. 7 :15, gaat tot het hart als bron van alle zonde terug, Mt. 16: 18, 19, en maakt ook het lijden van persoonlijke schuld onafhankelijk, Luk. 13 :2, 3, Joh. 9: 3. Tegenover de openbaring van Gods genade in het Evangelie komt de zonde te donkerder uit. De wet blijft kenbron van de zonde, Rom. 3:20, 7:7; maar als die wet in het licht van het Evangelie gelezen wordt, wordt de zonde in al haar afschuwlijkheid openbaar. Dan blijkt, dat zij eene macht is, die hare dienaren tot slaven maakt, Joh. 8:34, 6:20, die in de wet haar kracht, 1 Cor.

Sluiten