Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

132

WEZEN EN WERKING DEK ZONDE.

15:56, in het vleescli met zijne begeerlijkheid haar zetel heeft, Rom. 7:18, Jak. 1:14, en die alleen door Christus gebroken en overwonnen kan worden, Joh. 8: 36, Rom. 8: 2. Omdat Gods genade ten volle in Christus verschenen is, daarom is het ongeloof thans zulk eene groote zonde, Joh. 15:22, 24, 16: 9, draagt het nemen van ergernis aan Christus zulk een ernstig karakter, Mt. 11:6, is de afval van de genade zoo schrikkelijk, Hebr. 2 : 3, 4:1, 6 : 4, 5, 10: 26, en is de lastering tegen den Heiligen Geest eene onvergefelijke zonde, Mt. 12: 31. De Mozaïsche wet moge dus, wat haar eisch en vloek, hare burgerlijke en ceremoniëele geboden betreft, in Christus haar doel en haar einde hebben bereikt, Rom. 10: 4, Gal. 3 : 24, de geloovige moge van het juk harer dienstbaarheid ontslagen zijn en in de vrijheid staan, Rom. 6 :14, 7 : 4, 10: 4, Gal. 2 : 19, 3 :15, 5 :18; die vrijheid heft toch de wet in haar ethisch gehalte niet op, doch bevestigt haar, Rom. 3:31; haar recht wordt juist vervuld in degenen, die wandelen naar den Geest, Rom. 8:4. Die Geest immers vernieuwt het hart en leert ons onderzoeken, kennen en doen, wat Gods wil is, Rom. 12 : 2, Ef. 5 :10, j^hil. 1:10. Deze wil is en blijft kenbaar uit het Oude Testament, Rom. 13 : 8-10, 15 : 4, 1 Cor. 1: 31, 10 : 11, 14 : 34, 2 Cor. 9 : 9, 10:17, Gal. 5:14, is in Christus', woord en leven ons verklaard, 1 Cor. 11:1, 2 Cor. 3 : 18, 8:9, 10: 1, Phil. 2 : 5, 1 Thess. 1: 6, 4:2, en vindt ook in het eigen geweten weerklank, 1 Cor. 8:7, 10:25, 2 Cor. 1: 12; zij wordt geschreven in het hart der geloovigen, Hebr. 8:10, 10: 9. Door heel de Schrift heen is dus het wezen der zonde gelegen in uvo[.iia, 1 Joh. 3:4, in overtreding van de wet, welke God in zijn Woord heeft geopenbaard.

330. Door deze leer der Schrift werd de opvatting der zonde in de Christelijke theologie bepaald. Eenerzijds kon daarom die meening niet aangenomen worden, welke het wezen der zonde zocht in eenige substantie en ze herleidde tot een principe van toorn in God (Böhme), of tot eene booze macht naast God (Mani), of tot eene of andere stof, zooals de vXrj, de aagt- (Plato, de Joden, Elacius enz.). En andererzijds was ook de theorie te verwerpen, dat de zonde bestond in een nog-niet-zijn, dat ze behoorde tot de noodzakelijke tegenstellingen in het leven en van nature eigen was aan den eindigen, zichzelf ontwikkelenden, naar volmaaktheid strevenden mensch (Spinoza, Hegel enz.). Daartegenover hield de Christelijke theologie van den beginne af staande, dat de zonde

Sluiten