Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

134

WEZEN EN WERKING DER ZONDE.

quid ,). Tot recht verstand zij hierbij echter het volgende opgemerkt. 1°. Als de meeste Christelijke theologen de zonde als privatio opvatten, hadden zij daarmede allereerst de bestrijding van het Manicheïsmeop het oog. In zoover is hunne meening ook volkomen juist en zonder voorbehoud te aanvaarden. De zonde is geene substantie,, noch geestelijke noch stoffelijke, want dan zou zij God tot oorzaak hebben, of God zou niet de Schepper aller dingen zijn. 2^. Ook het wezen der zonde zelve verbiedt haar als eene substantie te denken. Want zonde is geen physisch, maar een ethisch verschijnsel. Zij is een toestand en een daad van den wil en heeft in dezen haar oorzaak ; zij is niet met de schepping gegeven, maar na de schepping door ongehoorzaamheid ontstaan. Zij kan dus geene materia zijn, welke eeuwig bestond of in den tijd door God werd geschapen, maar heeft alleen realiteit als deformatie van het zijnde ; in zoover kan zij zelfs een ovx ov, een nihilum heeten 2). 3°. Daarmede is dan geenszins bedoeld, dat de zonde een nihil negativum is. Veeleer is de pantheïstische opvatting van de zonde als eene zuivere negatie, als een nog-niet-zijn, als een noodzakelijk moment in de ontwikkeling van een eindig en beperkt wezen, als een waan der gedachte, door de Christelijke theologie ten allen tijde zoo beslist mogelijk bestreden. De zonde was geen mera negatio, maar eene privatio. Het onderscheid tusschen beide bestaat daarin, dat negatie alleen gemis (carere), privatie daarentegen gebrek (egere) aanduidt; dat een steen niet ziet, is eene negatie, dat een mensch niet ziet, is eene privatie, wijl het zien tot de hoedanigheden van een mensch behoort. Zonde is eene berooving van die zedelijke volmaaktheid, welke de mensch behoorde te bezitten. 4°. De omschrijving der zonde als privatio sluit daarom in het minst niet uit, dat zij ookt van andere zijde beschouwd, eene actio is. Zij is geene overia, substantia, res, maar wel in hare berooving van het goede eene èvsQyua, gelijk het hinken van den kreupele geen niet loopen, maar een verkeerd loopen is. Angustinus, die de zonde telkens als eene

•) Cajetanus bij Becanus t. a. p. Theol. Wirceb., VII 15. Vitringa Sr., Observ. Sacr. VI c. 15. 16. M. Vitringa, Doctr. II 288—290, en voorts ook Arminius, Op. bl. 730. Limborch, Theol. Christ. V 4. Strauss, Gl. II 360 v. Muller, Sünde I 396—409. Shedd, Dogm. Theol. I 371.

2) />. E. P. Mees, Wetenschappelijke Karakterkennis, 's Gravenhage 1907, vergist zich dus, als hij bl. 63 v. zegt dat de zonde vroeger als een ens positivum werd opgevat, (evenals de ziekte als eene stof werd beschouwd).

Sluiten