Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoover zonde, als ze direct of indirect eene overtreding van de zedewet, van liet gebod Gods, insluit. Deze zede wet, die den mensch bij zijne schepping werd ingeplant, na den val in zijne conscientie nawerkt, door God op den Sinaï werd afgekondigd en ook voor de geloovigen regel des levens blijft, is de kenbron der zonde, Rom. 3 : 20, 4 :14, 5 : 20, 7 : 7. Door Schleiermacher, Ritschl e. a. is er terecht nadruk op gelegd, dat de zonde eerst tegenover het Evangelie der genade Gods in Christus, en dus binnen de grenzen der Christenheid tot hare schrikkelijkste openbaring komt 1). De Schrift getuigt daar zelve van, als zij bepaaldelijk in het Nieuwe Testament herhaaldelijk en breedvoerig de zonden van het ongeloof, van de ergernis, van den afval en vooral ook van de lastering tegen den Heiligen Geest bespreekt en hare groote schuld en strafwaardigheid in het licht stelt. Maar daaruit volgt nog niet, dat alle zonden, vóór en buiten het Evangelie bedreven, alleen onwetendheids- en zwakheidszonden zijn, en evenmin, dat niet de wet, maar het Evangelie kenbron der zonde zou wezen. Het Christelijk geloof is noodig, om de zonde recht te leeren kennen, maar dat geloof ziet ook naar de wet terug, ontdekt haar geestelijk karakter, en ontvangt zoo een inzicht in den waren aard der zonde. Het Evangelie zou geen Evangelie zijn, wanneer het niet inhield vergeving van al die overtredingen, welke wij tegen de wet Gods bedreven hebben; gelijk genade zonde, vergeving schuld onderstelt, zoo onderstelt ook het Evangelie de wet. In die zedewet komt God tot ons, niet alleen als Vader met vaderlijke vermaningen en kastijdingen, maar, gelijk de kategorische imperatief bij een ieder getuigt, ook als Wetgever en Rechter met bevelen en straffen. Ofschoon niet dwingend als de logische en niet onverbreekbaar als de natuurwetten, gaat de zedewet in majesteit alle andere te boven; zij richt zich tot den wil, ademt in de vrijheid, verlangt vervulling uit liefde; en toch wendt zij zich tot alle menschen zonder onderscheid, komt tot hen in alle omstandigheden, breidt zich uit over hun woorden en daden niet alleen, maar ook over hun toestand, weet van geen toegeven en van geene vergoelijking, spreekt onverbiddelijk, kategorisch, met souverein gezag en wreekt elke van hare overtredingen in strenge straf. Zij is een decretum Numinis, openbaring van Gods wil, uitdrukking van zijn wezen.

') Sckleiermacher, Chr. Gl. § 112, 5. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III3 384 v. Ka/tan, Wesen der chr. Rel. 250. Gerretsen, De val des menschen 57.

Sluiten