Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

cl. i. tusschen zulke gedachten en begeerten, die vóór alle toestemming van den wil, geheel onwillekeurig in ons opstijgen en in het geheel geen zonde zijn; zulke, waartegen de wil zich wel verzet maar waardoor hij overmand wordt en die vergefelijke zonden zijn; en zulke, waarin de wil bewust en ten volle toestemt en die doodzonden zijn. En daarbij kwam dan nog, dat de erfzonde steeds zwakker opgevat en als door den doop geheel tenietgedaan beschouwd werd; wat er overbleef, de concupiscentia, was zelf geene zonde, maar kon alleen aanleiding tot zondigen worden. Zoo stelde Rome dan ook vast, dat schuld en smet der erfzonde door den doop geheel worden weggenomen, dat de concupiscentia wel blijft maar hun niet schaadt, die haar niet inwilligen, en alleen zonde heeten kan, quia ex peccato est et ad peccatum inclinat x).

De Hervorming trad daartegen op en beweerde, dat ook onreine gedachten en begeerten, die vóór en zonder onzen wil in ons opstijgen, zonde zijn; zij bedoelde daarmede niet, dat alle begeeren in psychologischen en philosophischen zin zonde was, maar wel, dat de concupiscentia in Schriftuurlijke en theologische beteekenis, ons schuldig maakte voor God. En hierin had ze ongetwijfeld gelijk. AVant zeker is de zonde begonnen met eene bewuste en vrije wilsdaad. Maar die eerste zondige daad is niet spoorloos aan ons voorbijgegaan, zij heeft heel de menschelijke natuur bedorven en een toestand nagelaten, die in alle opzichten in strijd is met de wet Gods. Al ontstond de zonde dus door den wil, zij bestaat nu feitelijk wel buiten den wil en heeft haar zetel ook in alle andere vermogens en krachten van den mensch, in ziel en lichaam, in lager en hooger ken- en begeervermogen, Gen. 6:3, 8:21, Ex. 20: 17, Ps. 19 : 18, 51:7, Jer. 17:9, Mt. 5:28, Mk. 7:21, Rom. 7:7,15—17, 8:7, Gal. 5:7 enz. Sine voluntate non potest esse peccatum, quia sine voluntate non potest existere ut sit; sine autum voluntate potest esse, quia sine voluntate potest manere quod existit a). Luthersche en Gereformeerde theologen bestreden daarom gewoonlijk de stelling, dat alle peccatum \ oluntanum was. Daarmede bedoelden zy echter geenszins, dat er ook zonde kon zyn, die geheel en volstrekt buiten het wilvermogen

Trid. V 5, en voorts Cat. Rom. II 2, 7. Becanus, Theol. schol. II 1519 bi, 145—150. Sylvius, Comm. in totam primam sec. S. Thomae, ed. 4 II bi. 336 v. Badman, Theol. II 1759 bl. 174 v. Bens, Theol. I 1828 bl. 314 v. Kleutgen, Theol. d. Vorz. II 644.

2) Augustinun, bij Bomer, Augustinus bl. 129.

Sluiten