Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

God en zijn volk overstaat. En als de openbaring zich voltooit en Christus komt, om de werken des duivels te verbreken, dan worden ook de jjicOr. xov nctxava openbaar.

Het Nieuwe Testament doet ons eene pucriXsta, Mt. 12 :26, Mk. 3:24, Luk. 11 : 17, 18, kennen van booze geesten, welke de antithese vormt van Christus en zijn rijk. Aan het hoofd staat Satan, met verschillende namen genoemd, óiafio/.og, aaravag, Mt.

13:39, Luk. 10:19, xarrjycoQ, Op. 12:10, ftehccQ (syr. voor /fchaX, nietswaardigheid), novrjqog, Mt. 13 : 19, Ef. 6 : 16, 2 Thess. 3 : 3, 1 Joh. 2 :13, 14, 3 :12, 5 : 18, pesl£e(iovX (lett. heer der woning, maar waarschijnlijk ontstaan uit /1eeX£sf}ov/?, vliegengod 1), Mt. 10 : 25, ('tnywv toov óaifiovitov, Mt. 9 : 34, «o/mi' xvfi t'Snvaiug rov aspog, Ef. 2:2, agxwv rov xoa^ioi>, Joh. 12:31, o O-eog rov alwvog rovrov, 2 Cor. 4:4, o óqaxwv ó fisyccg, ó oyig o ugxaiog Op. 12:9, 20:2 enz. En onder hem staan vele öai/iovia, Saifiovtg, nvsvfiara novr^a, «xad-ctQza, nvsvfiuTixa xrfi novijQiag, die weer in allerlei klassen en rangen onderscheiden zijn, 1 Cor. 15 : 21, Ef. 6 :12, Col. 2 : 15, Jud 6, ook in boosheid de een nog den ander overtreffen, Mt. 12:45, Luk. 11:26, en samen Satans ayyekoi zijn, Mt. 25: 41, 2 Cor. 12 : 7, Op. 12 : 7, 9 2). Al is er zoo onder hen nog eenig verschil in sterkte en boosheid, alle te zamen worden zij toch als door en door bedorven voorgesteld. Zij zijn altijd en overal de tegenstanders G-ods, de verstoorders van zijn rijk, de bestrijders van Christus, de verleiders der menschen, de aanklagers van Gods kinderen; zij leven in de zonden als in hun element. Nooit komen zij voor als object van Gods liefde, ofschoon ze zijne schepselen zijn; Christus heeft hunne natuur niet aangenomen; voorwerp van onze liefde, van onze voorbede mogen zij niet zijn ; er is voor hen geen hope op herstel en behoud.

Er is in het wezen en begrip der duivelen iets volkomen onbegrijpelijks. Wir können des absolute böse Wesen immer nur unter

Andere verklaringen bij Baudissin, in PRE3 II 514—516 en Whitehouse in Hastings D. B. IV 409.

2) Hofmann, Schriftbeweis I2 418 v. Sander, Die Lehre der H. Schrift vom Teufel 1858. Oehler, Theol. d. A. T. § 200. Hahn, Theol. des N. T. 1854 § 128 v. Schwartzkopff, Der Teufels- und Damonenglaube Jesu, Zeits. f. Th. u. K. 1897 bl. 289—330. Holtzmann, Neut. Theol. I. 53 v. 167. II 238 v. Weser, Die verschiedenen Auffassungen vom Teufel im N. T., Stud. u. Krit. 1882 bl. 284 v. Everling, Die paul. Angelologie und Damonologie. Gött. 1888. Art. Damonen en Damonische van J. Weiss, en art. Teufel van A. Wiinsche in PRE3. H. Duhm, Die bösen Geister im A. T. Tüb. 1904. Art. Deyil en Satan in Hastings, D. B. enz. Geref. Dogmatiek III. 10

Sluiten