Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toonen, wat zij is en vermag. Het hoogste en beste, het edelste en grootste in Gods schepping heeft zij zich dienstbaar gemaakt. En toch blijkt zij ten slotte in den strijd van macht tegen recht onmachtig te zijn. Es ist der Oharakter des Bösen, dass es immer mit Energie anfangt und mit Schwache aufhört (Baader). De zonde is" niet, zij wil zijn; zij heeft geen waarachtige realiteit en komt daar nooit toe; zij is leugen in haar oorsprong en leugen in haar einde. En daarom is Satan ten slotte met al zijne macht aan Gods verheerlijking dienstbaar. Luzifer ist, kann man sagen, durch die Probe inne geworden, dass nichts wahrhaft ist als Gott. Darum ist Luzifer so gut ein Beweis Gottes als ein Engel. Wenn der Gute beweist, dass Gott ist, so beweist der Böse, dass nur Gott ist (Baader)1).

333. Behalve tusschen de duivelsche en de menschelijke zonden, is er ook onder de laatste wederom groot onderscheid. De Stoa, Novatianus, Seb. Franck, Deurhof e. a. hebben dit ten onrechte ontkend 2). Wel is in beginsel de zonde en de deugd ondeelbaar; wie er ééne heeft, heeft ze alle, en wie er ééne mist, mist ze alle; tusschen goed en kwaad is geen geleidelijke overgang; iemand stemt met de wet Gods al of niet overeen; en de wet Gods is een organisme, dat, in één van zijne geboden overtreden, in zijn geheel geschonden wordt, want God, die het gebod gaf, dat overtreden werd, is de auteur van alle andere geboden, Jak. 2 : 10 8). Maar daarom zijn toch niet alle zonden gelijk. De verschillende namen, voor de zonde in gebruik, wijzen daar reeds op. Bij de offerande van Kaïn en Abel in Gen. 4 komt het uit, dat de gezindheid van meer waarde is dan de gave. De wet, aan Israël gegeven, bevat wel allerlei ceremoniëele geboden, maar door heel het O. T. heen staat het ethische handelen toch ver boven het cultische en liturgische; het geloof wordt tot gerechtigheid gerekend, Gen. 15:6,

1) Augustinus, de civ. XI en XII. Anselmus, de casu diaboli. Lombardus, Sent. II dist. 2-7. Thomas, S. Theol. I qu 63. 64. Petavius, de angelis 1. III. Scheeben, Dogm. II 670. Simar, Dogm. 294. Gerhard, Loc. V. c.4sect. 10 v. Quenstedt,

Théol. I 450 v. Zanchius,Op. III 167-216. Voetius, Disp. I 906 v. Daub, Judas

Ischarioth. Heid. 1816. Philippi, K. Gl. III 251 v. Lange, Dogm.pl 559 v. Dorner,

Chr. Gl. II 188 v. Frank, Syst. d. chr. Wahrh. I2 428. Von Oettingen, Luth.

Dogm. II 459 v. Van Oosterzee, Dogm. § 76. Kuyper, De Engelen Gods bl. 197 v.

Geesink, Van 's Heeren Ordin. I 261 v.

2) M. Vitringa, Doctr. Chr. II 377.

3) Yinet, L' unité de la loi, Nouv. Et. Evang. Rothe, Theol. Ethik § 730. 731.

Sluiten