Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van schuld het karakter der zonde niet bepalen. Al kan onwetendheid dus nooit de zonde zelve goedmaken, zij strekt toch dikwerf, wanneer ze niet moedwillig is, tot verontschuldiging. Paulus zegt, dat hij te voren een lasteraar, vervolger en verdrukker was, maar voegt eraan toe, dat hem barmhartigheid is geschied, wijl hij het onwetende deed, 1 Tim. 1:13. En zoo spreekt de H. Schrift meermalen van de zonden der Joden en der Heidenen, als gedaan in onwetendheid, Luk. 23 : 34, Hd. 3 :17—19, 13 : 27, 17 : 30, Ef. 4 : 18,. Hebr. 5 : 2, 1 Petr. 1: 14, 2 : 25. Daarmede worden die zonden wel niet van haar schuldig karakter ontdaan, gelijk Ritsckl schijnt te meenen1); want Rom. 1—3, 5 :12v., Ef. 4:17—19, Col. 3:5 7, 1 Cor. 15:9, 1 Tim. 1: 13, 15 enz. leeren dit anders. Maar toch zijn zonden in onwetendheid gedaan, onderscheiden van zonden, uit verharding voortgekomen; de onwetendheid biedt een pleitgrond voor vergeving aan.

En gelijk de zonden in graad en mate verschillen, naargelang zij uit onwetendheid en zwakheid of uit opzet en boosheid bedreven zijn, zoo zijn ze ook onderscheiden naar het object, waartegen zij gericht zijn: zonden tegen de eerste tafel zijn zwaarder dan tegen de tweede, Mt. 22:37, 38; naar het subject, dat ze bedrijft: naarmate iemand rijker met gaven bedeeld is, neemt de schuld zijner overtreding toe, Mt. 11:21, Luk. 12:47, 48, Joh. 9:41, 15:22, 24; naar de omstandigheden, waaronder zij gepleegd worden: wie uit armoede steelt, zondigt minder zwaar, dan wie het doet uit hebzucht, Spr. 6 : 30, Jes. 26 : 10; naar de mate, waarin iemand aan de zonde toegeeft: wie overspel pleegt met gedachte en woord,.

i) Ritschl, Rechtf. u Vers. II2 38. 241-246. III2 350—354. Terecht zegt Bernard in Hastings B. D. IV 532 : There is no tracé of the Ritschlian view that. till He (Jesus Christ.) came all sin was practically ignorance, and that sinners only needed to lay aside their sense of guilt. That ignorance, even where it exists, is hut a partial and not a sufficiënt excuse, appears in Luk. 12:47, and the explanation of that passage is that moral ignorance is never total and only com^s near totaliby by man's own fault. The sharp distinction between sins, of ignorance which are forgivable, and sins without ignorance, which aie not, is untrue to life. The man who sins from ignorance, has still some spark of knowledge which is enough to condemn him, and the man who sins against light has still some ignorance, for how can a man in his present limitations realize the gravity of the issues which are presented to him here ? For the first point

see Luk. 23:34; the soldiers in their ignorance nevertheless need forgiveness ;. and for the second see the lament over Jerusalem, Luk. 19 :42. Verg. ook Clemen, t. a. p. 82.

Sluiten