Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sentiendi, sciendi et dominandi, of in zonden van zwakheid, onwetendheid en boosheid; naar den vorm in zonden van nalatigheid en van bedrijf, of in zonden per se en per accidens; naar de adjnncta in verborgen en openbare, heerschende en niet heerschende, stille en roepende zonden enz. 1).

Verdere uitwerking aan de ethiek overlatende, bespreken wij hier alleen nog de Roomsche onderscheiding der zonden in peccata mortalia en venialia. Deze heeft haar oorsprong in de practijk der boete 2), en komt zakelijk reeds voor bij Tertullianus en bij Augustinus, die van peccata levia, brevia, minuta, minima, quotidiana sprak, welke in de geloovigen nog overblijven 3). Door de scholastiek uitgewerkt 4), werd ze door de kerk vastgesteld 5), en sedert door alle theologen met ijver tegen alle bestrijding verdedigd ®). Naar deze onderscheiding zijn er zonden, die de ontvangen genade doen verliezen en des doods waardig zijn, en andere, zooals een ijdel woord, een al te luidruchtige lach, een onwillekeurig opwellende begeerte, drift, toorn, een zeer kleine diefstal enz., die de genade niet doen verliezen, niet zoozeer contra als praeter legem, en van nature vergefelijk zijn. De onderscheiding wordt daarop gegrond, dat de Schrift van verschillende zonden en straffen spreekt, Mt. 5: 22, 7:3, 23 : 23, Luk. 6 : 41, 1 Cor. 3 : 12—15, soms aan de zonden den dood verbindt, Rom. 1: 32, 6 : 23, 1 Cor. 6 : 9, Gal. 5 : 21, 1 Joh. 3:14, en toch de geloovigen dikwerf als zoodanig blijft erkennen, ook al struikelen zij in velen, Spr. 24:16, Mt. 1:19, Luk. 1: 6, Jak. 3 : 2, en voorts ook op de overweging, dat er geneeslijke en ongeneeslijke ziekten bestaan, en dat er kleine beleedigingen zijn, die de vriendschap niet opheffen. De Hervormers verwierpen deze onderscheiding als met Grods Woord in strijd. Zij ontkenden niet, dat er graden in de zonden waren; en ook hielden zij de termen peccata mortalia en venialia nog wel bij,

J) Lombardus, Sent II dist. 42. Thomas, S. Theol. I qu. 72. Gerhard, Loei X 5 v. Ursinus, Traet. theol. 202. De Moor, Comm. III 313. Mastricht, Theol. IV 3, 10. Heidegger, Corpus Theol. X 61. Vilmar, Theol. Mor. I 221.

2) Pijper, Gesch. der boete en biecht in de Chr. kerk 1891 bl. 306 v.

3) Tertullianus, de pudic. 2. 3. 19. adv. Mare. IV 9. Augustinus, Enchir 44. 71. de civ. XXI 27. de nat. et gr. 39. de spir. et. litt. 36.

4) Lombardus, Sent. II dist. 42. Thomas, S. Theol. II 1 qu. 88. 89.

6) Conc. Trid. VI c. 11 can. 27. XIV 5. Oat. Rom. II 5 qu. 40.

€) Bellarminus, de amiss. gr. I c. 3 v. Becanus, Theol. schol. II 1619 bl 117. Liguori, Theol. mor. de peccato n. 51 v. Busenbaum, Theol mor. qu. 31 v. Antoine, Theol. mor. de peccato c. 2 enz.

Sluiten