Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar zij hechtten er eene andere beteekenis aan. De Lutherschen moesten tot op zekere hoogte de onderscheiding nog overnemen, wijl de geloovigen zonden konden doen, waarbij de genade bewaard bleef, en andere, waarbij zij verloren gingJ). Maar de Gereformeerden gingen verder en wilden van heel de onderscheiding niets weten. Als zij de woorden soms nog bezigden, verstonden zij eronder, dat alle zonden, behalve de lastering tegen den H. Geest, door Gods barmhartigheid vergeven kunnen worden en aan de geloovigen ook feitelijk vergeven worden, doch dat zij alle in

zichzelve des doods waardig zijn 2).

De Schriftuurplaatsen, waarop de Roomschen zich voor hunne distinctie beroepen, zijn dan ook alle zonder eenige bewijskracht. Alleen Mt. 5:22 biedt eenigen schijn van grond, maar de bedoeling van Jezus' woord is daar toch eene geheel andere, dan om lichte van zware zonden te onderscheiden. Tegenover de ouden n.1., die zeiden, dat eerst de zondige daad, de eigenlijke doodslagr schuldig en strafbaar maakte bij het plaatselijk gericht, zegt Jezus,, dat niet eerst de daad, maar reeds de eerste opwelling van onrechtmatigen toorn, ook al uit hij zich nog niet m een woord, bij dat gericht schuldig en strafbaar maakt; dat wanneer die toorn zich uit in een klein, onwillig woord, de zonde reeds zoo groot isr dat zij behandeld moet worden door het sanhedrin; en dat zij, wanneer de toorn in een smaadwoord zich uit, in eens, zonder vorm van proces, het helsche vuur waardig is. Er is hier dus zoo weinig sprake van vergefelijke zonden, dat Jezus juist omgekeerd de geringste zonde ten hoogste strafbaar acht, zoo strafbaar als d© ouden de zondige daad, d. i. den moord. Jezus stelt den opwellenden, onrechtmatigen toorn, met den doodslag gelijk ; Hij zegt dat de lichtste zonde juist al eene zeer zware zonde is, die zoo groote straf verdient als volgens de ouden de doodslag. "Welke straf deze opwelling van toorn hiernamaals waardig is, zegt Jezus met geen woord ; maar als die toorn met een smaadwoord gepaard gaat, dan is deze zonde zoo groot, dat zij op datzelfde oogenblik de helsche straf waardig is; er is geen rechtbank meer noodig, om eene straf

i) Luther bij Köstlin II 472 v. Melanchton, Loei Comm. de peccato. Gerhard, Loei X c. 20. Verg. Bellarminus, de amiss. gr. I c. 4.

*) Calvijn, Inst. II 8, 58. III 2, 11, 4, 28. Antid. conc Trid. VI12. Ursinus, Tract. theol. 209. Oomarus, Theses theol. disp. 13. De Moor, Comm. III 308—312. Turretinus, Theol. El. IX 4. Mastricht, Theol. IV 3, 22. Pictet, Christ. Godg. VI 11 Heppe, Dogm. 257.

Sluiten