Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden. En zoo zegt Hebr. 6:4—8, 10:25—29, cf. 2:3, 4:1,

12 : 15 17) dat degenen, die eens verlicht geweest zijn en de he-

melsche gave gesmaakt hebben en des H. G-eestes deelachtig geworden zijn en die dan tot het Jodendom terugvallen, den Zoon Gods vertreden en kruisigen en te schande maken, het bloed des N. T. onrein achten en den Geest der genade smaadheid aandoen, dat dezulken niet wederom tot bekeering kunnen gebracht worden. En evenzoo getuigt 1 Joh. 5 :16, dat er eene zonde is, die noodzakelijk krachtens hare natuur tot den dood zonder bekeering leidt, en voor welke Johannes niet zegt, d. i. niet gebiedt, dat men bidden zal. Het gebed, zoo niet ongeoorloofd, is toch vruchteloos. Waarschijnlijk denkt Johannes hier in verband met heel zijn brief aan de besliste en moedwillige loochening van den Christus als den vleeschgeworden Zoon van God. In beide deze plaatsen hebben wij dus te doen met zonden, die den mensch volkomen veiharden, en dus zelve onvergefelijk zijn. Feitelijk en zakelijk vallen deze met de lastering tegen den H. Geest samen1).

§ 43. De Straf der Zonde.

Oehler, Altt. Theol. 253 v. Schultz, Altt. Theol. 690 v. Delitzsch, Bibl. Psych. 126 v. Clemen, Die Chr. Lehre v. d. Sünde bl. 223 v. Matthes, Oorsprong en gevolgen der zonde volgens het O. T., Theol. Tijdschr. 1890 bl. 225 v. Id., De boom des levens, ib. 1890 bl. 365 v. Wildeboer, De straf der zonde volgens Gen. III, Theol. Stud. 1890 bl. 320-331. Weber, Syst. der altsyn. pal. Theol. 235 v. Titius, Die neut. Lehre v. d. Seligkeit 1895—1900 I 57 v. III 17 v. Ore-

mer, s. v. rïccvcttog.

Augustinus, de civ. Dei XIII. Lombardus, Sent. II dist. 30 III dist. 16. Thomas, S. Theol. II 2 qu. 164. c. Gent. IV 51. Bonaventura, Brevil. III c. 4 en 7. Bellarminus, de amiss. gr. 1. VI. Theol. Wirceb. 1880 VII 125 v. Heinrich, Dogm. VI 703 v. Scheeben, Dogm. II 596 v. 670 v. A. M. Weiss, Apol. des Christ. 113 414 v. Luther bij Köstlin II 375. Gerhard, Loei Theol. IX 3 et 8. X 4. Hollaz, Ex. theol. 502 v. Polanus, Synt. Theol. 340 v. Mastricht, Theol. LV c. 4. Moor, Comm. III 328 v. M. Vitringa, Doctr. Chr. II 295 v.

i) Van de rijke litteratuur over dit onderwerp zij alleen genoemd Thomas, S. Theol. II 2 qu 14 art. 1. Lombardus, en anderen op Sent. II dist. 43. M. Vitringa, Doctr. Chr. II 378. Walch, Bibl. theol. sel. I 88. 254. Schaff, Die Sünde wider den H. Geist. Halle 1841. Muller, Sünde II 596 v. Clemen, Die Chr. Lehre v. d. Sünde I 89—100. Von Oettingen, Luth Dogm. II 526 v.

Sluiten