Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zou. worden, was uit den aard der zaak vóór de overtreding voor mededeeling niet vatbaar. God maakt daarom in Gen. 2 :17 alleen van de ééne, groote straf der zonde, d. i. den dood, gewag. Daarmede houdt toch in eens alles op, leven, vreugde, ontwikkeling, arbeid, ook de mogelijkheid van bekeering en vergeving, van herstel der gemeenschap met God. De zonde verdient niet anders dan den ganschen, vollen dood. Alle andere straffen, die na den val feitelijk ingetreden en uitgesproken zijn, zooals schaamte, vrees, verberging voor God, vloek over de slang, over de aarde enz., zijn wel straffen, maar onderstellen toch tevens, dat God zijne bedreiging niet aanstonds en ten volle uitvoert, dat Hij nog een auder plan heeft met menschheid en wereld en deze daarom in zijne lankmoedigheid en genade laat bestaan. Toch zijn zij onder een bepaald gezichtspunt zeer zeker ook straffen en behooren in zoover hier ter sprake te komen. Gods genade spreekt er zich in uitr maar ook zijne gerechtigheid.

Straf toch heeft, naar de algemeene gedachte der Schrift, de bedoeling, om het recht Gods, dat door de zonde geschonden isr te herstellen. Onder Israël had zij de strekking, om de door God ingestelde wetten staande te houden en het booze uit het midden des volks weg te doen, Deut. 13:5, 17:7, 12, 22 : 21v., 24:7, en dan voorts, om dergelijke overtredingen te voorkomen en Israël in vreeze in des Heeren inzettingen te doen wandelen, Deut. 13: 11, 17 :13, 19 : 20, 21: 21. Het doel der straf was dus tweeledig, had betrekking op het verleden en de toekomst, moest begane overtredingen herstellen en toekomstige voorkomen. De maatstaf der straf mocht geen haat of wraak zijn, want deze waren den Israeliet tegenover zijn naaste verboden, Lev. 19:17, 18, Spr. 24: 29, maar moest ontleend worden aan den aard van het misdrijf, Ex. 21: 23—25, Lev. 24 :19, 20, Deut. 19 : 21. Evenals bij andere volken, vooral bij' de Egyptenaren, heerschte ook onder Israël de wet der vergelding, het jus talionis. Maar reeds in de oudheid werd begrepen, dat dit beginsel, consequent toegepast, tot groote onrechtvaardigheden leiden en aan persoonlijke wraakzucht dienstbaar gemaakt kon worden. Als iemand om een of ander misdrijf veroordeeld wordt, om een zijner oogen of handen of voeten te verliezen, maakt het een groot verschil, of hij te voren nog twee gezonde oogen, handen of voeten had, of hij van deze de linker of de rechter missen moet, of hij ze vroeger al dan niet voor een speciaal beroep, bijv. voor de uitoefening van de schrijf- of de schilder-

II

Sluiten