Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

straffen, die God op de zonde volgen laat. Velen hebben dit laatste ontkend en op dit gebied alleen van natuurlijke, maar in geen geval van stellige straffen willen weten *). Op dit standpunt is er eigenlijk geen loon en geen straf; de deugd draagt haar loon, de ondeugd baar straf in zicbzelve; een hemel of hel bestaat er niet, dan alleen in het gemoed van den mensch zelf; die "Weltgeschichte ist das "Weltgericht; hoogstens bestaat er eene subjectieve noodzakelijkheid voor den schuldigen mensch, om zijn lijden op te vatten als straf. Nu is het woord van den dichter waarachtig: Das Leben ist der Gütei' grösstes nicht, Der Uebel grösstes ist die Schuld. Puniri non est malum, sed fieri poena dignum. Culpam quam poenam plus de ratione mali habere certum est2). De schuld maakt het lijden tot straf; als zij eruit weggenomen is, kan het lijden hetzelfde blijven en toch geheel van karakter veranderen. De dood is als feit voor geloovigen en ongeloovigen hetzelfde, maar voor de laatsten is hij een straf, voor de eersten een doorgang tot het eeuwige leven. Daarom mag ook uit het lijden, dat iemand treft, niet tot persoonlijke zonde worden besloten, Luk. 13 : 4, Joh. 9:1; het lijden dient n.1. in Gods hand naar zijne genade en wijsheid niet alleen tot straf, maar ook tot beproeving, kastijding, opvoeding; Hij is zóó machtig, dat Hij dengenen, die Hem liefhebben, alles kan doen medewerken ten goede, Rom. 8:28.

Maar met dit alles wordt het objectief, door God gelegd verband tusschen zonde en lijden niet verbroken. De Schrift levert er bijna op iedere bladzijde bewijzen voor. De geschiedenis is wel niet liet, maar zij is toch een wereldgericht; zij doet ons feiten kennen, die zelfs den ongeloovigste tot de belijdenis dwingen: dit is de vinger Gods. Het lijden moge dikwerf niet in eene persoonlijke zonde zijn oorzaak hebben, het heeft die toch wel in de zonde van geslacht, volk of menschheid. Het eigen geweten getuigt bij een iegelijk mensch, dat er verband bestaat en bestaan moet tusschen heiligheid en zaligheid, tusscben deugd en geluk. Kant was daarvan zoo overtuigd, dat bij uit de disharmonie, die hier op aarde tusschen beide bestaat, tot een hiernamaals besloot. Niet om het loon dient

*) Spinoza, Eth. V. prop. 42, vele rationalisten in de achttiende eeuw, bij Bretschneider, Syst. Entw. 391 en Dogrn. I 527. Strauss, Gl. I 603. Scholten, L. H. K. II 108 v. 569 v. Vrije Wil 236, cf. ook Schleiermacher, Chr. Gl. § 84. Biedermann, Dogm. II 575 v. Lipsius, Dogm. § 393. Bitschl, Eechtf. u. Vers. I2 397 III2 326 v. Kaftan, Dogm. § 36 enz.

2) Thomas, S. Theol. I qu. 48 art. 6.

Sluiten