Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en de distinctie gemaakt van reatus potentialis en reatus actualis '). Maar wanneer van de zonden de schuld is weggenomen, dan vervalt daarmede vanzelf ook alle voldoening en straf, want schuld is niets anders dan verbintenis tot straf. G-od is dan geen Rechter meer, maar een Vader; kastijdt wel den zoon, dien hij liefheeft, 2 Sam. 12 :13, 14, maar straft hem niet; en eischt geen voldoening van hem, voor wien de gansche gerechtigheid door Christus aangebracht is. Zoo zegt ook Augustinus van den gedoopte: omni peccato caret, non omni malo, quod planius ita dicitur, omni reatu omnium malorum caret, non omnibus malis 2).

Dat de zonde nu waarlijk schuld medebrengt, staat vast door het getuigenis Gods in de Schrift zoowel als in de conscientie. In de Schrift zijn zonde, schuld en straf zoo onderling samenhangende begrippen, dat de woorden voor zonde, zooals -ir, nsan, ongemerkt de beteekenis van schuld verkrijgen, Gen. 4:13, Ex. 34: 7, Lev. 24 : 15, Num. 9 : 13 enz. Het eigenlijk woord, dat de zonde als schuld aanduidt, is Gen. 26:10, Lev. 4:13, 5:2, Num. 5:7 enz., en ócpeikr^ia, Mt. 6 : 12, cf 5 : 26, Luk. 7 : 41, 42, 13 : 4 3). God houdt den schuldige geenszins onschuldig en spreekt den vloek uit over al wie niet blijft in het boek der wet, Deut. 27 : 26, Gal 3 :10. Vloek, , fibb. xaraoa, uvaO-sf.icc, maledictum, is het tegen¬

deel van zegen, n3~3, svXoyia, benedictio, Deut. 11:26, 30:19. Gelijk Gods zegen iemand allerlei heil en leven toeschikt, zoo is de Goddelijke vloek de overgave van iemand aan het verderf, den ondergang, den dood, het oordeel, Satan. Menschen kunnen alleen zegen en vloek toewenschen, maar Gods zegenen en vloeken is altijd exhibitief, het zendt wat het wenscht. Eerst rustte Gods zegen op de schepping, Gen. 1: 22, 28, 2: 3, maar die zegen is in een vloek verkeerd, Gen. 3: 17. Wel is later wederom de zegen Gods over de aarde en de menschheid uitgesproken, maar deze vloeit uit Gods genade voort. De Heidenen kennen dan ook het begrip van den Goddelijken zegen niet. Des te meer weten zij van den Goddelijken vloek; de klassieke oudheid wordt beheerscht door de vrees voorde wraak van de Erinyen (Moiren, Furiën), de godinnen van den vloek. In alle heidensche godsdiensten overweegt de angst (ósiaióaifiona,

*) De Moor, Comm. III 135.

2) Augustinus, c. Jul. VI c. 16. Verg. Alting, Theol. el. nova XVII 5. Turretinus, Theol. El. IX qu. 3. De Moor, Comm. III 13G. Shedd. Dogm. Theol. II 414.

3) Schultz, Altt. Theol4. 684 v.

Sluiten