Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liefhebben en onderhouden, en dus langs dezen weg het leven niet meer verwerven. Uit de werken der wet kan geen vleeseh meer gerechtvaardigd worden, Ps. 143 : 2, Rom. 3 :20, 2 Cor. 3 :6v., Gal. 3:2, 10. Al is het ook, dat de wet van het werkverbond ons, behalve tot herstel van het bedreven kwaad door straftijden, ook nog steeds tot algeheele gehoorzaamheid aan hare geboden verplichten blijft, Mt. 5 : 48, 22 : 37 ; ofschoon God zelf zijne belofte houdt en aan de onderhouding van de wet het leven blijft verbinden, Lev. 18:5, Mt. 19:17, Luk. 10:28; ja, al is het werkverbond in dien zin onverbrekelijk, dat God in het genadeverbond den eisch tot voldoening en volstrekte gehoorzaamheid aan de wet op Christus legt; toch is het verbroken in dit opzicht, dat de mensch onbekwaam is, om langs dezen weg het leven in te gaan. Het paradijs is voor hem gesloten, de boom des levens hem ontzegd 1).

En tegelijk is daarmede door de zonde het beeld Gods verwoest. Rome verstaat daaronder, dat de bovennatuurlijke gaven verloren, en de natuurlijke ongeschonden gebleven zijn. De Lutherschen leerden oorspronkelijk, dat de mensch het beeld Gods, wijl alleen bestaande in de zedelijke eigenschappen, geheel verloren had en dat de mensch nu een stok en een blok gelijk was. Maar de Gereformeerden handhaafden, dat het beeld Gods in enger zin wel verloren en in ruimer zin geheel geschonden en bedorven, maar toch niet vernietigd was 2). Het beeld Gods is geen uitwendig, mechanisch toevoegsel aan den mensch, maar hangt organisch met zijn wezen samen; het is de gezondheid van den mensch. De mensch, die Gods wet overtreedt, houdt niet op mensch te zijn; hij behoudt zijn lichaam, zijne ziel, zijne vermogens, zijne krachten, zijn verstand, wil enz., maar zij staan alle in den dienst der zonde en werken in eene verkeerde richting. Als berooving en verstoring van het beeld Gods, is de smet der zonde aan alle menschen, behalve Christus, van nature eigen, qualitatief is er geen onderscheid. Maar daarom is er nog wel quantitatief verschil. Allen zijn wel van God afgekeerd en wandelen van nature op het pad, dat ten verderve leidt. Maar niet allen zijn evenver voortgeschreden op dien verkeerden weg en niet evenver in quantitatieven zin verwijderd van het koninkrijk der hemelen. Er is een eindelooze variatie en

') De Moor, Comm. III 105—108. Marck, Hist. Parad. II c. 15. Examen v. h. Ontw. v. Tol. X 478—480. Witsius, Oec. foed. I c. 9. Mastricht, Theol. III12, 22. 2) Nederl. Geloofsbel. art. 14.

Geref. Dogmatiek III. 22

Sluiten