Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

<f iïoQa onderworpen, en zucht nu gemeenschappelijk, als in barensnood verkeerend, de openbaring der heerlijkheid van Gods kinderen te gemoet, op hope van dan ook zelve bevrijd te worden van de dienstbaarheid der verderfenis, Rom. 8: 19—22. De Schrift is niet pessimistisch in den gangbaren zin van het woord, maar zij kent en erkent het lijden en vertolkt het in de roerendste klachten, Gen. 47 :9, Job 3, 6, 7, 9, 14 enz., Ps. 22, 38, 39, 69, 73, 74, 79, 89, 90 enz. Pred., Klaagl., Mt. 6:34, Rom. 7 :24, 8:19v., 1 Cor. 15:19 enz.

En dergelijke klachten stijgen voortdurend uit heel de menschheid op. Godsdienstleeraars, zedemeesters, wijsgeeren, dichters, kunstenaars, rijkbegaafden en misdeelden, allen spreken in denzelfden geest. De luchthartigen en oppervlakkigen zetten er zich over heen, maar alle ernstigen van zin hebben steeds iets van den geheimzinnigen samenhang van leven en lijden beseft. Ook de Grieksche oudheid maakte daar geen uitzondering op; de grondstemming was daar niet zoo vroolijk, als men vroeger wel dacht, ze was veeleer bitter en droef. In smart te leven, is het lot, dat de goden den onsterfelijken hebben beschikt; alleen zij zeiven zijn van zorgen vrij (Homerus). Behalve God, is niemand gelukkig (Euripides). Geen sterfelijke blijft van ongeluk vrij, niemand ontgaat zijn lot; de mensch is vergankelijk als eene schaduw, ijdel als een droom, zijn geluk is schijn; het beste is, niet geboren te zijn, en als men geboren is, zoo spoedig mogelijk te sterven (Sophocles). De dood is misschien het grootste goed (Socrates). Een plotselinge dood is het grootste geluk, een kort leven de grootste weldaad, het verlangen naar den dood de diepste wensch (Plinius) 1). Het optimisme der achttiende eeuw sloeg reeds bij Voltaire na de aardbeving in Lissabon in pessimisme om 2), en Hegels rationalisme maakte plaats voor de wijsbegeerte van Schelling, welke niet de rede maar den wil tot principe der wereld verhief3). De rede moge verklaren kunnen, wat en hoe de dingen zijn; clat ze zijn, is alleen afteleiden uit een wil; en deze existentie der dingen is het eigenlijke positieve, is de irrationale Rest, die ten slotte op den bodem van al het bestaande overblijft. Nach der ewigen That der Selbstoffenbarung ist namlich in der Welt, wie wir sie jetzt erblicken, alles Regel, Ordnung und Eorm; aber

1) Pfanner, Theol. gent. c. 17 de morte. Nagehbach, Homer. Theol. 310 v. Paulsen, Ethik I 80 v. Weiss, Apol. d. Christ. P 475—501. IF 464-517.

2) Voltaire in zijn Candide 1759.

3) Verg. deel II 229.

Sluiten