Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wijsgeeren Schopenhauer en von Hartmann, in dichterlijken vorm, bij Rückert, Lenau, Byron, Shelly, George Sand, Alfred de Musset, Leopardi en bovenal ook in de nieuwere fin-de-siècle litteratuur terug; bet Buddbisme, dat in den wil om te leven, in bet zijn zelf, de oorzaak van alle lijden ziet, wordt als de boogste wijsbeid geeerd. Leven is lijden, bet slingert been en weer tusscben smart en verveling, bet is de moeite van bet leven niet waard. De wereld met bare hospitalen, lazaretbs, cbirurgiscbe martelingen, gevangenissen, folterkamers, slavenstallen, slagvelden, gerecbtsboven, woningen van ellende enz., biedt eene geschikte stof voor de beschrijving der hel en is zelve eene hel, waarin de eene mensch een duivel voor den ander is. Indien zij een weinig slechter ware, zou zij van ellende niet kunnen bestaan. Alwat bestaat is daarom waard, dat het te gronde gaat l).

Over oorsprong en doel van het lijden zijn de beschouwingen vele geweest. De philosopbie is er bijna altijd op uit, om de schuld ervan, evenals van de zonde, rechtstreeks of zijdelings te werpen op God. Het lijden wordt dan afgeleid uit een zelfstandig, boos principe (Parzisme, Manicheïsme), uit een oorspronkelijk boos wezen (Daub), uit eene donkere natuur in God (Böhme, Schelling), uit den blinden, alogischen wil om te zijn (Buddhisme, Schopenhauer, von Hartmann), uit de zelfobjectiveering en Entausserung Gods (Hegel), uit de materie (Plato, Aristoteles, Philo), uit natuurnoodwendigheid (Weisse, Rothe), uit de eindigheid van het schepsel (Leibniz), uit den ontwikkelingstoestand der wereld (Ulrici), uit het zondig bewustzijn des menschen, dat de op zichzelf noodzakelijke onvolkomenbeden der wereld als Uebel opvat^Schleiermacher, Lipsius, Ritschl) enz. 2). Dat echter het lijden niet in dien zin aan God is toe te schrijven, dat bet met de schepping zelve gegeven was, staat vast op grond van de leer der H. Schrift, van het getuigenis onzer conscientie, en het wezen der religie, dat heiligheid en zaüg-

1) Schopenhauer, Die Welt als W. u. V. I6 366 v. II 657 v. Parerga u. Paral. II5 303 v. Von Hartmann, Philos. d. TJnbew. II 273—890 en verdere litt. over het pessimisme bij Ueherwejj — Heinze, Gesch. d. Philos. III 2- 8te A. 183 v. 481.

2) Er werd vroeger reeds de aandacht op gevestigd, dat velen, ter wille van de onverbrekelijkheid der natuurwetten en de schrikkelijkheid der natuurrampen, de wereld voor een deel van God onaf hankelijk maken, haar een eigen principe

en macht toekennen, en in diezelfde mate Gods alwetendheid, almacht en absoluut¬

heid beperken. Van het monisme keeren velen tot het dualisme en pluralisme

terug. Verg. deel I 597 v. II 166, Wijsbeg. der Openb. bl. 90. 179, en ook E,

Giran, Job fils de Job, essai sur le problème du mal. Paris Fischbacher 1908.

Sluiten