Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gen. 2: 17 is inderdaad niet de dood in het algemeen, maar bepaald de terstond na de overtreding intredende dood op de zonde bedreigd. G-en. 3:19 verhaalt daarom ook niet de volle uitvoering der bedreigde straf; maar wijzigt deze en stelt haar uit. Dientengevolge ziet het O. T. in den plotselingen, in den bloei der jaren intredenden dood juist eene straf voor de zonde, Gen. 6:3, Num. 16 : 29, 27 : 3, Ps. 90 : 7-—10, gelijk ook de doodstraf zoo opgevat wordt. Deze beschouwing hangt samen met de toenmalige oeconomie des verbonds en met de paedagogie van het volk Israels. God verbond aan de onderhouding zijner geboden in de dagen des O. T. een lang en gelukkig leven en stelde op de overtreding allerlei straffen aan deze zijde des grafs. Zoo was het oog van de rechtvaardigen vooral op de lotsbedeeling in dit leven gericht en binnen den kring van het aardsche bestaan beperkt; slechts zelden drong het door tot de overzijde des grafs. Het onderscheid tusschen rechtvaardigen en goddeloozen lag daarom niet allereerst in den dood als zoodanig, want deze was voor allen gelijk, maar in de verschillende bedeeling van het lot, dat aan den dood voorafging. En als die bedeeling ook dikwerf zoo weinig verschilde, dan werd het onderscheid tusschen de rechtvaardigen en de goddeloozen gezocht in de onderscheidene bedoeling, die het lijden voor de eersten en de laatsten had, Deut. 8 : 2v., Hos. 2: 5v., Jes. 1:25v., Jer. 5:3, 9:7, 31:18, Klaagl. 3 :27v., Ps. 119:67, 71, 75, Spr. 3 : llv., Job 1 enz. De gerechtigheid Gods, die de zonden bezoekt, wordt voor het vrome Israël ook wederom principe van verlossing en heilx).

Maar hieruit volgt nog geenszins, dat de dood zelf natuurlijk en noodzakelijk werd geacht. Immers sluit de beschouwing, dat de dood gevolg is van het stoffelijk organisme des menschen, geenszins uit, dat die dood straf is der zonde. Alleen daarom kan voor den mensch de straf der zonde in den dood bestaan, wijl hij stof is en uit de aarde genomen. Paulus leert evenzoo, dat Adam aardsch

und Gnade im relig. Leben des Volkes Israël. München 1905 bl. 54. Matthes, Theol. Tijdschr. 1890 bl. 239—254. enz. Karl Beth, Ueber Ursache und Zweck des Todes, Glauben und Wissen 1909 bl. 285—304 en 335 348 toont aan, dat de wetenschap tot dusver het raadsel des doods niet heeft weten te verklaren, maar acht den dood toch van nature aan het stoffelijk organisme eigen, en maakt daaraan zijne exegese der H. Schrift dienstbaar.

Verg. deel II 221 v.

Sluiten