Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rijden, hen in dieren veranderen, en ook in de natuur allerlei onheil aanrichten kon. Rome heeft de daemonische realiteit van dit bijgeloof steeds in bescherming genomen, niet alleen in de Middeleeuwen (bul van Innocentius VIII 1484. Malleus maleficarum 1487;, maar ook na de Hervorming en tot op den huidigen dag toe ; in de Roomsche theologie, b. v. van Suarez, Yasquez, Lessius, Liguori, Qörres, e. a., neemt het geloof aan de macht des duivels eene buitengewoon breede plaats in 1), en hoezeer het bijgeloof onder de Roomsche Christenen in de practijk voortleeft, is nog niet lang geleden in de beruchte geschiedenis van Leo Taxil op droeve wijze aan het licht getreden 2). Voor Rome valt al het bestaande in een lager, ongewijd en een hooger, gewijd terrein uiteen; op het eerste heerscht Satan met bijna onbeperkte macht, het tweede moet door kruisteeken, wijwater, bezweringen enz., voor zijn invloed en werkingbeveiligd worden 3). De Roomsche Christen ziet zich overal van den duivel bedreigd en moet allerlei maatregelen nemen, om hem te verjagen 4).

Het is waar, dat het Protestantisme dit Roomsche en in den grond heidensche bijgeloof in den eersten tijd bijna geheel onaangetast heeft gelaten ; heksengeloof en heksenprocessen werden door de Protestanten even sterk als door de Roomschen verdedigd •>) en later door de Roomschen (Spina, Molitor, Loos, Tanner, von Spee) evengoed als door de Protestanten (Weier 1563, Godelmann 1562, Reginald Scott 1584, van Dale 1685, Bekker 1691, Thomasius 1701) bestreden 6); op voorgang van Luther, kenden de Lutherschen eene zeer groote macht aan den duivel toe, leidden alle kwaad uit hem af en handhaafden het exorcisme 7). Maar toch bracht de Reformatie, vooral in haar Calvinistische vertakking, in het duivelgeloof wel terdege eene belangrijke wijziging aan. Teruggaande tot de Schrift

Paul van Hoensbroech, Religion over Alberglaube. Berlin Walther 1897 bl.

56 v.

2) H. Gerber, Leo Taxils Palladismusroman. 2 Th. Berlin 1897.

3) De Harbe's Verklaring der Kath. geloofs- en zedeleer, bew. en verin, door B. Dankelman, Utrecht 1888 IV 598 v.

*) Kolde, Die kirchl. Bruderschaften. Erlangen 1895 bl. 47.

5) Zoeckler, art. Hexen- und Hexenprozess in PRE3 VIII 30—36.

6) Baltbasar Bekker, de bestrijder van het bijgeloof, werd beschreven door Br. W. P. C. Knuttel, 's Grav. Nvhoff 1906.

") Köstlin, Luthers Theol. II 351 v. Muller, Symb. Bücher 477. 483. 771. \ erg. Roskoff, t. a. p. II 364 v. Philippi, Kirchl. Gl. III 341.

Sluiten