Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

348. Zonde, ellende en dood zijn feiten, wier bestaan door niemand kan worden ontkend, en die daarom bij alle menschen in zwakker of sterker mate eene behoefte wekken aan verzoening en verlossing. Niet minder dan de kennis der ellende, is het verlangen naar redding aan alle menschen gemeen. Zelfs zijn zij in meerder of minder mate ook allen zich bewust, dat de verlossing moet komen van boven, nctweg ós S-scov '/aitovn' dvO-Qu>noi. Gelijk de kinderen Israels ten dage des kwaads tot den Heere terugkeerden, zeggende : sta op en verlos ons, Jer. 2 : 27, zoo drijft de nood ten alle tijde de menschen tot het bidden uit. Adversae res admonent religionem (Livius); magis deos miseri quam beati colunt (Seneca). Maar naarmate de ellende anders opgevat wordt, wijzigt zich ook de redding, waarnaar verlangend uitgezien wordt. Wanneer bij die ellende alleen gedacht wordt aan een physisch kwaad, aan ramp en ongeval, aan ziekte en dood, gaat verlossing ook niet uit boven eene redding uit den nood. Zoolang ethisch en physisch kwaad, zonde en ellende, met elkander vereenzelvigd worden, kan ook het onderscheid tusschen God en wereld niet tot zijn recht komen. Bij de Heidenen ging daarom het besef der heiligheid hoe langer hoe meer te loor; de Godheid werd met de natuur verward, en dan óf in vele bijzondere geesten en goden gedeeld, die, ieder op zijn eigen terrein, gediend en vereerd moeten worden, óf op pantheïstische manier met de wereld vereenzelvigd en als de ziel van al het bestaande worden opgevat. Van een verbond der genade, dat in den tijd door God zeiven uit vrije gunst met den mensch wordt opgericht, is bij de Heidenen geene sprake; de verhouding, waarin zij tot hunne goden staan, is niet eene daad van vrije keuze, maar beiderzijds eene zaak van noodzakelijkheid. De genade in eigenlijken zin was hun onbekend, omdat zij het wezen der zonde niet doorzagen, evenals omgekeerd het karakter der ongerechtigheid voor hen eene verborgenheid bleef, wijl de openbaring der genade daarover het licht niet voor hen deed opgaan. Zoo brachten zij het wel tot een hopen en wenschen, maar niet tot een vast geloof aangaande eene verlossing van alle kwaad ; humana ad deos transferebat Homerus, divina mallem ad nos (Cicero).

Maar in de H. Schrift treedt de genade Gods ons in al haar rijkdom en heerlijkheid tegemoet. De bijzondere openbaring doet ons God weer kennen als een wezen, vrij en almachtig staande boven de natuur en dragende een eigen karakter en wil. De verhouding, waarin de mensch tot Hem staat, is wezenlijk verschillend van die, waarin hij tot alle schepselen is geplaatst. Zonde is dus

Sluiten