Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aarde Israël uit alle volken verkoren, zich ten eigendom gemaakt, en met zich in een verbond gesteld had. Al deze gedachten zijn eerst veel later opgekomen. Zelfs bij Amos komt de bondsverhouding nog niet voor ; Hozea zegt alleen, dat men Israels ontrouw bij een bondsbreuk vergelijken kan, 6:7. Eerst Deuteronomium is in waarheid een bondsboek; het werd verbondsgewijze ingevoerd en aangenomen, 2 K. 23 : 3, cf. Jer. 34 : 8v. Ezr. 10 : 3, Neh. 10 :1. Maar nu werd dat verbond eerst, toen het opkwam, nog weer heel anders opgevat dan later. Men verstond er toen vooral onder de verplichting van Israël tegenover Jhvh, om een heilig volk te zijn en zijne wetten te onderhouden. Als dus Israël het verbond niet hield, dan werd het verbroken en Israël beladen met den vloek, Deut. - < en 28. Maar ofschoon Israël het verbond in de reformatie van Josia formeel aanvaardde, het hield er zich niet aan, werd gestraft en in ballingschap gezonden. En toen ontstond allengs de gedachte, dat Gods verbond bestond in eene wet, die Hij had gegeven, dat God zich zelf verplicht had, om Israël trouw te blijven en ook, als het afviel, niet te verlaten; God kon Israël wel straffen, maar het verbond niet vernietigen. Het uit ballingschap teruggekeerde Israël klemde zich aan deze bondsidee vast en legde ze in het verleden, in de geschiedenis der aartsvaders, terug 1).

In deze voorstelling schuilt nu wel deze waarheid, dat de bondsidee bij de profetie eerst in later tijd, vooral sedert Jeremia, op den voorgrond treedt. Maar daar was reden voor. "Want eerst toen de afval van het volk een definitief karakter had aangenomen en de ballingschap noodzakelijk maakte, kreeg de vraag eene practische beteekenis, of God om dezen afval zijn volk voor goed verlaten zou. En daarop gaf nu het verbond, dat de Heere met Israël gemaakt had, ten antwoord, dat de ontrouw des volks Gods trouw niet te niet zou doen. Het vrije, door God in zijne gunst gesloten verbond werd meer en meer de vastigheid van Israels geloof en de grond zijner hope voor de toekomst, Jes. 54 : 10. Van al de verwachtingen, die Israël koesterde, bleek meer en meer, dat zij uitsluitend rustten in het verbond, dat God in zijne genade met zijn volk had opgericht; dat verbond alleen verzekerde aan Israël zijn voortbestaan, de verschijning van den Messias en al de zegeningen van het toekomstige Godsrijk. Daarom kreeg deze Messias bij

i) Wellhausen, Gesch. Israels I 434 v. Smend, Altt. Theol. 116 v., en vooral Kraeizschmar in het boven aangehaalde werk.

Sluiten