Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jesaja ook den naam van verbond des volks, Jes. 42 : 6, 49 : 8, want Hij zou het verbond voor het volk bewaren en bevestigen, en een nieuw verbond oprichten, Jes. 31: 31—34; en de zegeningen, die Hij bracht, zouden bondszegeningen zijn, Jes. 55 : 3, Jer. 33 : 20, 31; Ps. 89 : 29.

Maar daaruit volgt niet, dat deze bondsidee in vroeger tijd onbekend was. De nieuwere critiek kan deze meening alleen vasthouden, door met groote willekeur te werk te gaan. Want tal van getuigenissen, die ook volgens haar tot de oudere gedeelten van den Pentateuch behooren, maken van zulk een verbond gewag. Zoo is er bijv. in Gen. 15 : 18 sprake van een verbond, dat God met Abraham sloot, maar zonder genoegzamen grond wordt beweerd, dat dit woord hier slechts de plechtige naam is voor den «ed, waarmede God zich verplichtte, aan Abrahams zaad het land Kanaan te geven. De woorden in Gen. 28 : 21: zoo zal de Heere mij tot een God zijn, wekken ongetwijfeld de gedachte aan eene bondsverhouding, maar zij worden voor een louter toevoegsel gehouden. Exod. 21—23 draagt den naam van bondsboek, 24:7; het bloed van het offer, waarmede het bevestigd werd, heet bondsbloed, 24 : b, en in Ex. 34 : 2< is er sprake van de bondswoorden; maar deze stukken, al zijn ze vóór-deuteronomisch, dateeren toch niet uit Mozes tijd, en behelzen toch de bondsidee niet, gelijk die later opgevat werd. Eene critiek, welke op deze wijze te werk gaat, krijgt geen ander resultaat, dan wat zij van te voren wenscht. Eerst construeert zij op grond van de beweerde onechtheid der geschriften de historie der religieuze voorstellingen, en daarna bezigt zij de alzoo gereconstrueerde historie, om de onechtheid der tegen haar getuigende documenten aan te toonen x).

En zelfs met deze willekeurige critiek komt men niet, waar men wezen wil. ant al de profeten gaan uit van de gedachte, dat er eene bijzondere verhouding tusschen Jhvh en het volk van Israël bestaat. Amos begint zyne profetieën met eene strafbedreiging tegen Damascus, om wier misdrijven de Heere voor zijn volk optreden zal, 1 : 3 5, en Hij zal Israël niet verschoonen, juist omdat Hij dat alleen gekend heeft uit alle geslachten der aarde. Hozea stelt de verhouding tusschen God en zijn volk als een huwelijk

') Verg. G. Vos, Recent criticism of the early prophete, Presb. and Ref. Review April 1898 bl. 214—218, en Strack in zijne recensie van Kraetzschmar's boek, Theol. Lit, Blatt 1898 n. 5.

Sluiten