Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sluit, valt al de nadruk op de plichten, die de laatsten daarbij hebben na te komen, Jos. 9, 1 Sam. 11, 2 S. 5: 3, 1 Ivon. 20:34, Ez 17 :13- Nog sterker wordt de beteekenis van beschikking en inzetting, als er overdrachtelijk sprake is van een .Tin met de oogen, Job 31:1, met de steenen en de dieren, Job 5 : 22, 40: 28, met den dood, Jes. 28:16, van God met de natuur, Gen. 8:22, Jer. 33 : 20, 25, of met de dieren, Gen. 9 :12, Hos. 2 : 17—22, Jes. 11: 6 enz. Maar ook als God en mensch een verbond sluiten, treedt vanzelf het monopleurisch karakter telkens sterk op den voorgrond; het zijn toch geene gelijke partijen, maar God is de Souverein, die aan de schepselen zijne ordinantiën oplegt. Als Godin Gen. 15:8 v., met Abram een verbond sluit, is dat geene eigenlijke pactio, maar eene sponsio; God geeft zijne belofte, Hij verbindt zich tot hare vervulling, en gaat tusschen de stukken van het offerdier door. Elders zweert Hij bij zichzelf, Gen. 22:16, bij zijn leven, Deut. 32 : 40, bij zijne ziel, Am. 6 :8, Jer. 51:14, om maar den mensch te bewijzen het onveranderlijke van zijnen raad, Hebr. 6 : 17.

Dit monopleurisch karakter van het verbond moest in de historie steeds helderder in het licht treden. Want wel legde het verbond Gods ook aan degenen, met wie het gesloten werd, verplichtingen op; verplichtingen n.1., niet als voorwaarden tot het ingaan in het verbond, want het verbond was gesloten en rust alleen in Gods ontferming, maar wel als weg, dien de uit genade in het verbond opgenomenen nu voortaan hadden te bewandelen, Gen. lt : 1, 2, Ex. 19 ; 5, 6, 8, 24 : 3, 7, Lev. 26 :14v., Deut. 5 : 29, 27 :10 v., 28: lv., 30: lv., enz. Maar al nam Israël het verbond Gods telkens bij vernieuwing aan, Ex. 19:8, 24:3, 7. Deut. 29:10 13, Jos. 24. 16, 2 Kon. 23:3, 2 Chr. 15:12, 23:16, 29 : 10, 34:31, Neh. 8 enz., het wandelde niet in den weg des verbonds, en ontheiligde en verbrak het ieder oogenblik. Zoo rees de vraag, of dit verbond der genade dan even wankel was als het verbond der werken vóór den val. En daarop gaf de openbaring ten antwoord, en steeds krachtiger en luider, naarmate de afval toenam: neen, dit verbond wankelt niet; menschen mogen ontrouw worden, maar God vergeet zijne belofte niet, het verbond ligt enkel en alleen vast in zijne ontferming, Lev. 26 : 40—44, Deut. 4 :31, 30 : lv., 32 : 36v., Richt. 2:1, 2 Kon. 13 : 23, Ps. 81: 9, 12, £9 :1—5, 105 : 8—10, 106 : 45, 111: 5, Jes. 1:3, 5 : 13, 54 : 10, Jer. 18: 5 -10, Ezech. 33 :10—16, Hos. 6:1—3, 11:7—9, 14:2—9, Joël 2:12—14. God kan en mag zijn verbond niet verbreken; Hij heeft er zich vrijwillig, uit zich-

Sluiten