Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelf, met een duren eed toe verbonden; zijn naam, zijn eere, zijn wezen zelf hangt eraan, Ex. 32, 33, Num. 14: 16, Deut. 32 : 26, I Sam. 12:22, Jes. 48:8—11 Jer. 14:7, 20, 21, Ezech. 20:9,14, 22, 43, 44, Joël 2 : 17—19 enz.

In deze vastheid van het genadeverbond ligt de heerlijkheid der religie, waarvan wij als Christenen belijdenis doen. Bij eene vroegere gelegenheid x) werd reeds aangetoond, waarom de ware religie de gedaante van een verbond moet dragen. Als godsdienst waarlijk gemeenschap van God en mensch zal zijn, waarin God niet alleen, maar ook de mensch zijne zelfstandigheid als redelijk en zedelijk wezen behoudt en met zijne plichten ook rechten ontvangt, dan kan dit alleen in dezen weg geschieden, dat God tot den mensch afdaalt en met hem een verbond aangaat. God verplicht zich daarbij met eede, om den mensch, niettegenstaande zijn afval en ontrouw, de eeuwige zaligheid te schenken ; maar de mensch wordt daardoor zijnerzijds ook vermaand en verplicht tot eene nieuwe gehoorzaamheid. Doch altijd zoo, dat wij, als we somtijds nog uit zwakheid in zonden vallen, aan Gods genade niet moeten vertwijfelen noch in de zonde blijven liggen, overmits wij een eeuwig verbond der genade met God hebben. Niet in onze deugden en werken, maar in Gods ontfermingen ligt het verbond der genade onwankelbaar vast.

Deze onverbrekelijkheid, die door de Oudtestamentische profetie steeds klaarder uit de bondsidee werd afgeleid, is waarschijnlijk ook de reden, waarom het woord in de LXX niet door avv&rjxi], maar door óict&rjxr^ werd overgezet. Volgens Deismann 2) heeft dit laatste woord altijd de beteekenis van testament, en nooit die van verbond. Wat Oud en Nieuw Testament aangaat, mag dit echter op goede gronden betwijfeld worden. De een-zijdige, Goddelijke oorsprong en natuur, welke in het Hebreeuwsch aan het verbond toekomt, is genoegzame verklaring van de reden, waarom de LXX aan rhuO-rjxrj, boven avv&rjxrj, de voorkeur gaven. Maar voorts was er tusschen de testamentaire beschikking, welke overeenkomstig de Grieksch-Syrische wet in den tijd der LXX gemaakt werd, en die, welke overeenkomstig de Romeinsche wet tot stand kwam, een opmerkelijk onderscheid. Volgens gene was eene

plechtige handeling, waarbij eene onherroepelijke overdracht van rechten en goederen plaats had ; en deze trad, althans gedeeltelijk,

') Verg. deel I[ 611 v.

2) Deismann, Das Licht vom Osten. Tübingen 1908 bl. 243.

Sluiten