Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naastenliefde, schrijft vele deugden in het geheel niet voor, bepaalt op kleine zonden veel te zware straffen; het kent alleen slaafsche vreeze en aardsche belofte; het weet van geen volle gerechtigheid en vergeving; het is daarom volkomen afgeschaft, en Christus is opgetreden als novus legislator 1). Het Arminianisme sprak niet zoo boud, maar vatte het O. T. toch op als een verbond, dat alleen tijdelijke goederen beloofde 2). Zelfs Luther stelde O. en N. T. dikwerf als wet en Evangelie tegenover elkaar, maar werd later voorzichtiger en leerde, dat er ook in het O. T. rijke Evangelische beloften waren 3). Toch werkte deze opvatting in de Luthersche theologie na. Wel neemt zij aan, dat er in O. en N. T. slechts één Messias, één geloof, één weg der zaligheid is, maar zij weigert toch te zeggen, dat er maar één testament is. Het woord testament duidt bij haar dat wettisch verbond aan, hetwelk op Sinaï met Israël werd opgericht; en in dezen zin verschilt het wezenlijk van, is het tegengesteld aan en afgeschaft door het N. Test. Er zijn in het O. T. wel vele beloften aan Israël gegeven, die ook ons nog gelden, maar het O. Testament als wettisch verbond Gods met Israël was geen foedus gratiae. De beloften des Evangelies, aan Adam, Abraham enz. geschonken, mogen wel onder den naam van foedus gratiae worden samengevat, maar ook dit foedus gratiae in het O. T. verschilt dan niet slechts in accidentia, doch ook in substantia van het N. Test., gelijk de belofte van de vervulling, de schaduw van het lichaam verschilt 4).

Het rijkst is de verbondsleer ontwikkeld in de Gereformeerde theologie. De foederaaltheologie is niet afkomstig van Coccejus, gëlyk Ypey meende, noch ook eene eigenaardigheid van die DuitschGeref. theologie, welke in Melanchton haar vader zou hebben, zooals Heppe het voorstelde 6). Want de onjuistheid dezer gevoelens is met kracht van argumenten in het licht gesteld, en wordt thans ook door allen erkend 6). De leer des verbonds komt zelfs niet

1) Fock, Der Socin. bl. 325. Diestel, t. a. p. bl. 535.

2) Episcopius, Disp. 18—20. IV disp. 12—14. Limborch, Theol. Christ. III c. 9. Verg. M. Vitrin.ga, Doctr. IV 242.

*) Luther bij Köstlin, Luthers Theol. I 84 v. II 258. Doofs, D. G. bl. 770 v.

4) Gerhard, Loei XIV 119 v. Quenstedt, Theol. IV 255—280. Hollaz, Ex. Theol. 1043—1053. Verg. Heppe, Dogm. d. deutschen Prot. II 258.

5) Ypey, Beknopte Letterk. Gesch. der Syst. Godg. II 70 v. Heppe, in zijne Geschichte en in zijne Dogmatik des deutschen Protestantismus.

6) Sepp, Godg. Ond. II 220. Schweizer, Gl. der ref. K. I 103. Gass, Gesch. der

Sluiten