Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van God en van zijn eeuwigen raad, maar hij nam zijn standpunt m de historie en het verbond Gods met de menschen. Zijne dogmatiek werd dus heilshistorie, eene bijbelsche theologie in geschiedkundigen vorm, waarvan de Schrift niet principium en norma, maar object en inhoud was. Dat verbond, d. i. de ware religie, ging hij historisch na van zijne eerste aanvangen af tot op den tegenwoordigen tijd toe; en hij wees overal de ontwikkeling en den vooruitgang van dat verbo in de verschillende, opeenvolgende bedeelingen aan. Er was dus niet alleen verschil, gelijk de Gereformeerden zeiden, in duidelijkheid van openbaring, d. i. in helderheid van inzicht en klaarhei van bewustzijn, Neen, er was verschil in de objectieve weldaden zelve onder de verschillende bedeelingen van het genadeverbond. De zaligheid was in het O. T. objectief geringer dan in het N. T. In het O. T. bestond de sabbat in cessatio operis, had Israël nog geen vera et permanentia bona, maar was het een volk der hope, verlangend naar een lang aardsch leven, en nog dooi vreeze de doods bevangen. Het had geen volle «cpsaig, maar alleen naosatg; de rechtvaardigmaking was onvolkomen, wijl het dierofier geen ver zoening kon aanbrengen; de troost der geloovigen was nog zwak, hun geweten nog niet gerust; de besnijdenis des harten werd wel beloofd, maar in het N. T. geschonken; de wet werd bediend door engelen; i. é. w. in het O. T. was alles wel aanwezig, maar alleen in type en schaduw; de realiteit der zaak zelve ontbrak zoo niet geheel, dan toch voor het grootste gedeelte. Niet subjectief, maar ook objectief, niet alleen in accidentia, maar ook in substantia was het Ö. T. een ander dan het nieuwe. Ja, Coccejus ondermijnde zelfs heel de verbondsleer, als hij het genadeverbond uitsluitend negatief opvatte, als eene langzame, historisch en successief zich voltooiende afschaffing van het werkverbond. Ten slotte bleef er van het verbond niets over; het was maar een tijdelijke, menschelijke, steeds zich wisselende vorm der religie 1).

Coccejus verliet daarmede zonder twijfel het uitgangspunt en de lijn der Geref. theologie. Dit werd terstond door velen gevoeld, en daarom ook min of meer bestreden. Maar het was meer een aanval op ondergeschikte punten, dan eene prmcipiëele bestrijding.

i) Verg. deel I 183, en voorts Gass, Gesch. der prot. Dogm. II 266 v. Art.

Coccejus, in PRE3 IV 186—194. Heppe, Gesch. d. Piet. bl. 217 v. Diestel, Jahrb. f. d. Theol. 1865. Van der Flier, De Johanne Ooccejo 1859. Geesink, De Ethiek

in de Geref. Theol. 1897 bl. 49 v.

Sluiten