Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waren overgegeven. De verhalen van schepping, val, zondvloed, aartsvaders, richters- enz. zijn mythen en sagen, ten deele aan andere volken ontleend. De wet staat veel lager dan de profeten en draagt dikwerf een uitwendig, zinnelijk, eudaemonistisch karakter. De heiligen des O. T., zooals Abraham, Izak, Jakob, en vooral David zijn dien naam niet waard, en hebben in het geheel niet bestaan of zijn door het nageslacht geidealiseerd. Het onderscheid van ware en valsche profeten is geheel subjectief. Het Christendom is minstens evenzeer door het Heidendom als door het Jodendom voorbereid.

346. De leer des verbonds is voor de dogmatiek en tevens voor de practijk van het Christelijk leven van de grootste beteekenis. n Meer dan Roomsche en Luthersche, heeft de Gereformeerde kerk

V if \ en theologie dit begrepen. Op grond van de H. Schrift vatte zij

de ware religie des O. en N. T. steeds op als een verbond tusschen /l j God en mensch, hetzij dit opgericht werd met den nietgevallen

mensch (foedus operum), of met de schepping in het algemeen bij Noach (foedus naturale), of met het volk der verkiezing (foedus ^ U r gratiae). En zelfs hierbij bleef zij niet staan, maar voor deze ver-

, bonden in den tijd zocht zij een vasten, eeuwigen grondslag in den

ro^buY J raad Gods, en vatte dezen raad, als bedoelende de behoudenis van het menschelijk geslacht, ook weder op als een verbond van de drie personen in het Goddelijk wezen zelf (pactum salutis, raad des vredes, verbond der verlossing). Dit laatste verbond komt kort en zakelijk reeds voor bij Olevianus, Junius, Gomarus en anderen '); werd dan verder in den breede ontwikkeld door Cloppenburg en Coccejus ); ontving daarna eene vaste plaats in de dogmatiek bij Burman, Braun, Witsius, Vitringa, Turretinus, Leydecker, Mastricht, Marck, Moor, Brak el, om ten slotte weer door Deurhof, AVesselius en anderen ) bestreden en allengs geheel uit de dogmatiek verbannen te worden.

De ontwikkeling van de leer van het pactum salutis bij de Gereformeerden was van scholastieke spitsvondigheid niet vrij. De locus classicus, Zach. 6 : 13, die voor deze leer aangehaald

x) Olevianus, Wezen des Genade verbonds, 2e art. § 1. Junius, llieses Lheol. c. 25 th. 21. Gomarus, op Mt. 3:13, Luk. 2:21, en Theses Theol. XIX 1. Aiminius, de sacerdotio Christi 1603. Amesius, de morte Christi I 5. Voetius, Disp. II 266. Essenius, de subjectione Christi ad legem X 2.

2) Cloppenburg, de foedere Dei III 4—28. Coccejus, de foedere c. 5.

3) Deurhof, Over natuurkundige en schriftuurlijke samenstelling van de H. Godg. I 12. Wesselius, in de voorrede voor de Godg. van Pictet.

Sluiten