Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werd, bewijst niets en zegt alleen, dat de het koning- en het priesterschap in zich vereenigende Messias den vrede van zijn volk beraadslagen en bevorderen zal (Keil). Uit Job 17 : 3, Jes. 38 : 14, Ps. 119 : 122, die echter geen van alle op den Messias zien, en Hebr. t : 22, waar alleen staat, dat Christus, omdat Hij eeuwig leeft, borg is, dat het nieuwe verbond eeuwig zal blijven bestaan, werd afgeleid, dat Christus van eeuwigheid in het pactum salutis borg was geworden; en wel niet van God bij ons, gelijk Crell en Limborch beweerden 1), want Grod als de Waarachtige heeft geen borg noodig; maar van ons bij Grod, zooals Coccejus, Witsius enz. trachtten te betoogen 2). Verder werd aan de juristen de onderscheiding ontleend van fidejussor en expromissor en de vraag behandeld, of Christus in het pactum salutis de zonden der O. T. uitverkorenen conditioneel, dan wel absoluut had op zich genomen; het eerste zeiden Coccejus, Wittichius, Allinga, van Til, d'Outrein, Perizonius en anderen 3); het laatste werd geleerd door Leydecker, Turretinus, Mastricht, Voetius enz. 4). En eindelijk werd ook het geschilpunt besproken, of dit pactum salutis meer het karakter droeg van een testament met beroep op Luk. 22 : 19, Joh. 17 : 24, Hebr. 6 : 17, 8:6, 9 : 15, 13 : 20, gelijk Coccejus, Burman, Heidegger, Schieren) beweerden, dan wel van een verbond, zooals Leydecker, Wesselius e. a. staande hielden 6).

Toch rust deze leer van het pactum salutis, trots haar gebrekkigen vorm, op eene Schriftuurlijke gedachte. Als Middelaar toch is de Zoon aan den V ader ondergeschikt; noemt Hem zijn God, Ps. 22:3, Joh. 20:17, is Hij zijn knecht, Jes. 49v., wien een werk is opgedragen om te doen, Jes. 53 :10, Joh. 6 : 38—40, 10:18, 12:49, 14:31, 17 :4, en die voor de volbrachte gehoorzaamheid, Mt, 26:42, Joh. 4:34, 15:10, 17:4, 5, 19:30, loon ontvangt!

*) Crell op Hebr, 7 : 22. Limborch, Theol. Chr. III 21, 7.

2) Coccejus, de foedere V § 150-162. Witsius, Oec. foed. II c. 5. Van den Honert, Het hoogepriesterschap van Christus 1712 bl. 403. Reidegger, Corp. Theol XI 23. Oicen op Hebr. 7 : 22. Boston, Eene beschouwing van het verbond der genade, 2e dr. 1868 bl. 68 v.

3) Coccejus, de foed. t. a. p. Wittichius, Theol. pacif. § 290.

Leydecker, l ax \erit. \ 7. \ is verit. II 1. Filius Dei sponsor 1674. Turretinus, Theol. El. XII 9. Mastricht, Theol. V 1, 34. Voetius, Disp. V 346. De Moor, Comm. IV 569—580. M. Vitringa, Doctr. IH 12.

®) Schiere, Doctrina test. et foed. I c. 10.

•) Leydecker, Fax verit. V 6. Wesselius, t. a. p.

Sluiten