Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den strijd en de zegepraal der menschheid. Religie en zedelijkheid, cultus en cultuur nemen daar hun aanvang. In de lange periode van Adam tot Xoach ontwikkelen zich deze alle onder den invloed van Gods algemeene en bijzondere genade. De oorspronkelijke krachten, door G-od bij de creatie in de verschillende schepselen gelegd, zijn wel gebroken, maar werken ook na den val nog langen tijd na.

Vooral komt dit uit in de sterkte en den veel grooteren levensduur der menschen vóór den zondvloed, Gen. 5 : 5v., en in de veel machtiger werking van de elementen der natuur, die eerst nadien tijd aan banden worden gelegd, Gen. 8 : 22. Deze historie der Schrift wordt bevestigd door de traditie der volken, die in haar gouden, zilveren, koperen en ijzeren eeuw van een langzaam verval der menschheid gewaagt, en ook door de geologie, volgens welke aan deze onze periode eene andere voorafging, waarin er over geheel de aarde eene hoogere temperatuur heerschte, de jaargetijden nog niet waren begrensd, en vuur en water eene veel grootere rol speelden dan tegenwoordig. Bij den overgang van de mesozoïsche toFde kainozoïsche periode hadden er toch allerlei gewichtige veranderingen plaats: eene groote uitbreiding van het vasteland, door opheffing van uitgebreide stukken van den zeebodem boven het water; de formatie der bergen, zooals de Alpen, Pyreneën, Karpaten, Himalaya, Cordilleros enz.; eene sterke verandering in het klimaat; het uitsterven der groote, praehistorische dieren en planten enz. i). In verband met dit alles is de grootere sterkte en de langere levensduur der menschen in de periode van Adam tot Noach volstrekt niet onwaarschijnlijk; de eenvoudiger levenswijze, de minder inspannende arbeid, het geringer aantal kwaadaardige ziekten, de nawerking van den toestand vóór den val verklaren dit feit genoegzaam; zelfs komen thans bij wijze van uitzonderingen nog leeftijden van 120 tot 150 jaren voor; en er is geene physische noodzakelijkheid te bedenken, waarom de menschelijke levenskracht na 70 of 80 jaren uitgeput moet zijn JJ! Ook de religie bleef na

1} Schöpfungsgeschichte, Kap. 11-15. Haeckel, Nat. Schöpfungsgesch.* bl.

520 v. Wossidlo, Leitfaden der Mineralogie und Geologie. Berlin, Weidmann

1889 bl. 196 v. En verg. verder over de geologische beteekenis van den zondvloed, deel II 525 v.

2) Furer, Das Lebensalter des Menschen usw., Beweis des Glaubens 1868 bl. 97 v. 184 v. Zöckler, Die Lehre vom Urstand des Menschen 1879 bl. 244—288. Schanz, Das Alter des Menschengeschlechts. Freiburg 1896. Büchner, 's Menschen Levensduur. Holl. vert. door Schwencke. Amst. 1892.

Geref. Dogmatiek III. -< r

Sluiten