Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den wordt ingevoerd ; heel de redelooze natuur wordt aan ordinantiën onderworpen, die vastliggen in Gods verbond ; en ten teeken en onderpand wordt de regenboog in de wolken gesteld, Gen 8 • 21 22; 9 : 9—17. '

Er treedt thans ook eene menschheid op, die, in vergelijking met de vorige, veel zachter is van aard, veel kleiner van kracht, veel korter van duur. De zegen der vermenigvuldiging wordt uitdrukkelijk weer uitgesproken, Gen. 9:1, de vreeze en verschrikking des menschen op alle dieren gelegd, vs. 2, het groene kruid en het vleesch aan den mensch tot spijze gegeven, vs. 3. Het leven des menschen wordt gewaarborgd door het bevel van de doodstraf op menschenmoord, en daarmede in beginsel door de instelling van de overheid vs. 5, 6 ; en als later de menschheid bij Babels torenbouw het plan vormt, om saam te blijven wonen en een wereldrijk te stichten, dan verijdelt God dat plan, doet de menschheid in volken en talen uiteengaan, en gaat ook op die wijze de ontwikkeling en de uitbarsting der goddeloosheid te keer. De genade Gods treedt dus na den vloed veel krachtiger op dan vóór dien tijd. Aan haar is te danken het bestaan en het leven der menschheid, de uitbreiding en ontwikkeling der volken, de staten en maatschappijen, die allengs zich gevormd hebben, de religie en zedelijkheid, die ook onder de verwilderdste volken niet ganschelijk zijn teloor gegaan, de kunsten en wetenschappen, die zich hoog hebben verheven alles, wat er na den val ook in den zondigen mensch nog goeds is op alle terrein, heel de justitia civilis, is vrucht van Gods algemeene genade 1). God liet de Heidenen wel wandelen op hunne eigene wegen, Hd. 14:16, maar Hij onttrok zich hun niet; Hij liet zich aan hen niet onbetuigd, bepaalde hunne woning, was niet ver van een iegelijk van hen, openbaarde zich hun in de werken zijner handen, Hd. 14 :16, 17; 17 : 27, 28, Hom. 1:19, Jak. 1:17. De Logos verlicht een iegelijk mensch, komende in de wereld, Joh. 1:9. De H. Geest is auteur van alle leven, kracht en deugd,' ook onder de Heidenen, Gen. 6:17, 7:15, Ps. 33 : 6, 104: 30,' 139 : 2, Job 32 : 8, Pred. 3 :19. Door deze genade, en onder de bedeeling van dit foedus naturae is de menschheid vóór Christus geleid en voor zijne komst voorbereid 2). Er valt inderdaad in

>) Verg. hetgeen hierover reeds in het hoofdstuk over de Algemeene Openbaring is gezegd, deel I 311—336.

-) Over den laten tijd van Christus' komst zie men o. a. Bonaventura, Brevil.

4. Petavius, de incarn. II c. 17. Jansen, Prael. Theol. II 561.

Sluiten