Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schoone wijze tot haar recht doet komen. Bij het werkverbond is dit reeds breedvoerig in het licht gesteld *). Maar in het genadeverbond komt het nog treffender uit. In dit opzicht is het grootelijks onderscheiden van de verkiezing 2). "Wel zijn beide niet zoo onderscheiden, dat de verkiezing particulier en het genadeverbond universeel is, dat gene den vrijen wil ontkent en dit hem leert of onderstelt, dat het laatste terugneemt wat de eerste belijdt. Maar wel verschillen zij zoo, dat in de verkiezing de mensch volstrekt passief, in het genadeverbond echter ook actief voorkomt. De verkiezing zegt alleen zonder meer, wie verkoren zijn en onfeilbaar de zaligheid zullen erlangen; het genadeverbond beschrijft den weg, waarlangs deze verkorenen tot hunne bestemming zullen geraken; het is de bedding, in welke de stroom der verkiezing zich voortbeweegt naar de eeuwigheid heen. Christus treedt in het genadeverbond wel als hoofd en vertegenwoordiger der zijnen op, maar Hij effaceert en vernietigt hen niet. Hij staat voor hen in, maar zoo, dat zij ook zeiven, door zijn Greest geleerd en bekwaamd, bewust en vrijwillig in het verbond toestemmen. Het verbond der genade is wel met Christus gesloten, maar het breidt zich over en door Hem heen ook tot de zijnen uit en neemt dezen geheel en al met lijf en ziele in zich op. Het pactum salutis breidt zich uit tot een foedus gratiae; het hoofd van het genadeverbond is tevens de middelaar ervan. En daarom treedt het aanstonds bij zijne promulgatie ook op met den eisch van geloof en bekeering, Mt. 1 :15. In den eersten tijd spraken de Gereformeerden vrijmoedig van voorwaarden des verbonds 3). Maar toen de natuur van het genadeverbond dieper ingedacht werd en tegen Roomschen, Lutherschen en Remonstranten moest verdedigd worden, voelden velen daartegen bezwaar en vermeden dit spraakgebruik 4).

*) Deel II 613 y.

2) Verg. H. H. Kuyper, Hamabdil bl. 18 v.

3) Calvijn, Inst. IV 15, 17. Comm. op Gen. 15:6. 17:4. Mt. 3:7, 9. Gomarus, de foedere. Maresius, Syst. Theol. VIII 5. Trigland, Antapologia c. 18. Voorrede van de Statenvert. voor het Nieuwe Test. Voetius, Disp. V 272, 273 enz.

4) Olevianus, Wezen des genadeverbonds I 13, 14. Junius, Disp. Theol. XXV 12. 13. 19. Coccejus, de foedere § 87. Id., Summa Theol. 41, 5. 12. 13. Cloppenburg, de foedere § 29. Witsius, Oec. foed. III 1, 8-16. Franken, Kern c. 23. Brcikel, Red. godsd. XVI 17. Comrie, Heid. Catech. I 352 enz., verg. M. Yitringa, VI 224. In Engeland kwamen de Antinomianen, zooals Tobias Crisp, er tegen op, maar vonden bij anderen, zooals Rich. Baxter, Dan. Williams, wederom tegenspraak.

Geref. Dogmatiek III. i £>

Sluiten