Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

247

hooger ontwikkelde volken treden waarzeggers, priesters en koningen in hunne plaats. Waarzeggers deden den wil der Godheid kennen door duiding van uitwendige teekenen (sterren, vogelvlucht, offeranden enz) of, gelijk de Pythia in Griekenland door inwendige inspiratie, Deut. 18:10—14 1). Priesters, die dikwerf eene van het volk streng gescheidene klasse of kaste vormen, vertegenwoordigden de menschen in hunne toenadering tot God, brachten hunne offeranden en gebeden over, en deelden hun Gods zegen uit 2). Koningen golden menigmaal als zonen of gezanten der goden, die zeiven op hunne beurt als koningen werden voorgesteld, als dragers van hunne wijsheid en macht, als stichters en beschermers van de gerechtigheid 3). De historie verhaalt ons niet, hoe al deze heilige personen tot hun rang en eere gekomen zijn; maar hunne algemeenheid bewijst, dat wij hier met een verschijnsel te doen hebben, dat niet toevallig is, maar samenhangt met het wezen der religie zelve en aan eene diepe behoefte der menschelijke natuur beantwoordt. Yele historische godsdiensten zijn bovendien aan de namen van bepaalde stichters verbonden, die later boven den rang van gewone menschen verheven en in meerdere of mindere mate vergoddelijkt werden ; de ideeën van incarnatie en apotheose komen schier in alle godsdiensten voor. Het onderscheid, dat Tiele maakt tusschen theocratische en theanthropische godsdiensten is daarom ook niet streng vol te houden; het komt ten slotte neer op een verschil van minder en meer.

In vele godsdiensten zelfs wordt niet slechts in het algemeen eene verwachting gekoesterd, dat eenmaal het goede het kwade overwinnen zal, maar wordt die verwachting ook vastgeknoopt aan een bepaald persoon, in den Indischen godsdienst bijv. aan Krishna, in den Perzischen aan Saoshyant, in den Egyptischen aan Osiris, in den Noorschen aan Balder. In den laatsten tijd kwamen er documenten en opschriften aan het licht, die erop wijzen, dat in het Oosten eerst en daarna ook in het Westen de verwachting van een vrederijk vooral op den koning gebouwd werd. Yan

*) Kohier, Der Prophetismus der Hebraer und die Mantik der Griechen 1860. Oehler, Das Verhaltnis der altt. Prophezie zur heidn. Mantik 1861. König, Das altt. Prophetentum und die neuere Geschichtsforschung. Gütersloh 1909, en andere werken over het profetisme.

2) J. Lippert, Allgemeine Gesch. des Priesterthums. Berlin 1883—'84.

3) J. Boehmer, Reichgottesspuren in der Völkerwelt (Beitrage z. Ford. Christl. Theol. 1906 bl. 67—124.

Sluiten