Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar de volgelingen der religionsgeschichtliche school slaan nu tot een ander uiterste over. De Messiaansche verwachtingen zijn niet eerst na de ballingschap opgekomen, maar zij wortelen in het grijs verleden en hebben in Babylonië en Assyrië, in Perzië en Egypte haar oorsprong. Ook hier ligt eene waarheid in, welke door de Schrift ten volle wordt erkend. God heeft de menschheid hare geschiedenis niet laten beginnen, zonder dat Hij de hope haar gaf in het hart, dat het vrouwenzaad eens over het slangenzaad den triumf zal behalen, Gen. 3:15. Gelijk Eva in Kaïn, Gen. 4:1, zoo zag Lamech in No ach een man, die door den Heere hem gegeven werd en hem troosten zou over het werk en de smart zijner handen, Gen. 5:29. Na den zondvloed wordt Kanaan wel vervloekt, maar Sem wordt gezegend, en deze zegen ook tot Japhet uitgebreid, Gen. 9:25-27. Volgens het Oude Testament zelf hebben de Messiaansche profetieën, aan het volk Israël geschonken, een breeden grondslag in de beloften, welke God aan de menschheid en na den vloed bepaaldelijk aan de Semietische volken heeft medegegeven. Maar dan, bij de verkiezing van Abraham, gaat de menschheid uiteen en wordt Israël afgescheiden van de volken. En dat ziet de religionsgeschichtliche richting over het hoofd; uit de analogie, welke zij van de Messiaansche verwachtingen bij de volken ontdekt, besluit zij aanstonds tot identiteit; zij miskent bij de uitwendige overeenkomst het diepe, inwendige verschil.

Immers, als er in de verwachtingen, welke wij in Egypte en elders aantreffen, van een groot onheil sprake is, dat aan de eindelijke redding voorafgaat, wordt daarin nooit een gericht verstaan, dat God over de zonden der menschen houdt, maar alleen eene politieke of sociale ramp, die het volk treft. De koning, die de redding aanbrengt, ontvangt wel allerlei heerlijke praedicaten, maai hij blijft een vorst, aan al zijne voorgangers gelijk, in heerschappij tot de grenzen van zijn eigen volk en land beperkt, en ook niet bestendig in duur. En het heil, dat hij brengen komt, draagt niet in de eerste plaats een religieus en ethisch karakter, maar het bestaat voornamelijk in of gaat in elk geval steeds gepaard met allerlei kultische, magische en politieke veranderingen. De naam citiTrjQ moge ook menigmaal aan koningen en keizers toegekend zijn; als hij in het Nieuwe Testament aan Christus wordt gegeven, bevat hij toch een gansch anderen inhoud en wordt hij de aanduiding van een Zaligmaker, die van zonde en dood bevrijdt en de gerechtigheid en het leven schenkt. Het is daarom wel mogelijk,

Sluiten