Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

len, dat de profetie onder Israël in verband staat met de beloften, die' volgens bet getuigenis der Schrift zelve, Gen. 8:15, 8:21, 9 • 9v., 25 27, reeds van te voren aan de menscbheid waren geschonken en daar in meer of minder zuiveren vorm zijn bewaard. Misschien is dat verband nog veel inniger, dan wij op dit oogenblik kunnen vaststellen, want de gedachte, welke in den laatsten tijd door velen is uitgesproken, is volstrekt niet ongerijmd, dat de Israelietische profeten bij hunne beschrijving van den Messias en zijn rijk en in het algemeen in hunne eschatologische verwachtingen zich bedienen van voorstellingen en uitdrukkingen, vergelijkingen en beelden, welke reeds lang bestonden en ver tot het verleden teruggaan. Bij de wetgeving is dat geschied, want tempel, altaar, priesterschap, offerande, besnijdenis enz. komen bij vele volken voor, en evenzoo wortelt de profetie in de historie van Israël en van de natiën rondom.

Maar aan den anderen kant staat het even vast, dat de profetie bij Israël ver boven die historie is uitgegaan en zich op eene eigene wijze en in eene eigene richting ontwikkeld heeft. Dat wordt daaruit bewezen, dat de profeten met het gansche volk op denzelfden grondslag stonden van wet en belofte, maar dat zij, a s het volk van het verbond met den Heere misbruik maakte, om zich te verheffen boven alle volken der aarde en eene blijde toekomst zich te verzekeren, met alle kracht daartegen opkwamen e den dag der Heeren schilderden als een dag van duisternis en oordeel, Am. 5:18, Mich. 3:5, Joël 2:2, Jes. 5:19, Jer. 5:12 enz. En van den beginne af is aan de profetie onder Israël zulk een zelfstandig karakter eigen geweest. Aan de aartsvaders werd beloofd, dat alle geslachten der aarde in hun zaad gezegend zouden worden, Gen. 12:2, 3, 18:18, 22:18, 26:4, 27:29, 28:14, en van den patriarch Jakob ging deze belofte op Jada over, van wien de schepter niet wijken zal, totdat Schilo komt, wien de volken gehoor zaam zullen zijn »). De profetie beperkt haar gezichtskring niet tot het volk van Israël en het land van Kan aan, maar ziet over heel

i) Van het woord Schilo bestaan zeer vele opvattingen, die echter geene van alle genoegzame zekerheid bezitten, cf. E. Sellm, Die Schiloh-Weissagung in 1 Mos 49 • 10, in de Theol. Stud. Theod. Zahn z. 10. Okt. 1908 dargebracht bl. 369-390. Art. Schiloh in Eastings' D. B. IV 500. Br. Adolf Poswanski, Schiloh. Ein Beitrag zur Gesch. der Messiaslehre. I Die Auslegung von Gen. 49 :10 im Altertum bis zum Ende des Miltelalters. Leipzig Hinrichs 1909. Maar het Messiaansche karakter van den tekst is aan geen twijfel onderhevig.

Sluiten