Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot de Schrift, en verstaat onder het koninkrijk niet allereerst eene politieke, maar eene religieus-ethische heerschappij. De God Abrahams Izaks en Jakobs, Mk. 12:26, de God Israels, Mt. 15:30, dien Jezus als zijn God erkent en belijdt, is zeker ook en vóór alles "Koning, Mt. 5 : 35, 18: 23, 22 : 2, de Heere des hemels en der aarde, Mt, 11:25; maar Hij is tevens de Yader in de hemelen, die in zijn rijk als een Vader over zijne kinderen heerschen wil; zijn rijk is tegelijk eene familie, eene gemeente, Mt. 6 : 4, 6, 9, 7 :11, Mk. 3: 34, 35; en deze beide gedachten van het koningschap en het vaderschap Gods schaden niet, maar bevorderen elkaar. Voorts: ingang in dat koninkrijk is er niet door farizeesche wetsonderhouding, maar door bekeering, geloof, wedergeboorte, Mt. 18:3, Mk. 1:15, Joh. 3:3, en daarom staat het juist open voor de armen, de verlorenen, de tollenaren en zondaren, Mt. 5 : 3, 9 :11, 12, 11:5, 28—30, Luk. 19:10. Dat koninkrijk, dat eenerzijds vóór alles moet gezocht worden en eene andere en betere gerechtigheid dan die der farizeën onderstelt, Mt. 5 : 20, 6: 33, 13:44—46, en dan als een loon wordt voorgesteld, bewaard in de hemelen, Mt. 5 :12, 6 : 20, 19 : 21, 20 :1-7, 24 : 45, is toch anderzijds met heel zijn inhoud, vergeving der zonden, Mt. 9:2, 26: 28, Luk. 1: 77, 24:47, gerechtigheid, Mt. 6: 33, eeuwig leven, Mt. 19:16, 25 : 46, Mk. 8: 43 eene alle werk en verdienste ver te boven gaande gave, Mt. 19 : 29, 23 :12, 24 : 47, 25 : 21, 25 : 34, Luk. 6 : 32v., 12 : 32, 37, 17:10, 22 :29. In zoover de heerschappij Gods hier op aarde in de geloovigen niet aanstonds ten volle gerealiseerd wordt en zij van hunne zijde de goederen van dat koninkrijk, het eeuwige leven, de aanschouwing Gods, de volkomene zaligheid, hier nog niet ten volle ontvangen en genieten, is het koninkrijk dus wel toekomstig, Mt. 5 : 3v., 20, 6 :10, 33, 7 : 21, 18 : 3, 19 : 23, 24, 25 : 34, 26 : 29 enz.' Maar inzoover het door den persoon en door de werken van Christus hier op aarde gesticht, en door wedergeboorte, geloof en bekeering in de harten geplant wordt, is het tegenwoordig, Mt. 11: 11, 12, 21, 12:28," 13:11, 19, 24, 31, 52, Mk. 4:26—29, 9:1, Luk. 10:18,' 17 :21, en zijn de geloovigen reeds hier op aarde er burgers en deelgenooten van, Mt. 7 :13, 14, 13 : 23, 30, 28 :18, 20, Mk. 10 : 15, Luk. 7 :28. Op dezelfde wijze is het koninkrijk Gods bij Paulus nu eens aanduiding van eene heerschappij, die thans reeds bestaat, Rom. 14:17, 1 Cor. 4:20, 15:24, 25, Col. 1:13, 4:11, en dan weder benaming voor de regeering Gods in de toekomst, 1 Cor. 6:9, 15 : 50, Gal. 5:21, Ef. 5 : 5, 1 Thess. 2 :12, 2 Thess. 1: 5. Christus is thans Koning en maakt de zijnen tot koningen en

Geref. Dogmatiek III. 17

Sluiten