Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

355. Tot deze onderscheiding is Jezus niet gekomen, doordat zijn arbeid, in G-alilea hoopvol begonnen, later zonder gevolg bleef en Hij nu op geen andere wijze aan zijne roeping getrouw kon blijven dan door tegelijk zijn Messiasschap en het lijdensprogram te openbaren 1). Want van den aanvang af was aan Jezus zijne plaats in dat koninkrijk, welks Evangelie Hij predikte, volkomen klaar en duidelijk. Behalve uit de aanwijzing in den doop door Johannes, Mt. 3: llv., Joh. 1:26v., blijkt dit duidelijk daaruit, dat Jezus terstond optrad met de namen van Zoon des menschen en Zoon Gods. Den eersten naam ontleende Jezus, gelijk thans, vooral na Baldensperger's belangrijke studie over Das Selbstbewusstsein Jesu2), vrij algemeen erkend wordt, met bewustheid aan Dan. 7 :13, om daarmede aan te duiden, èn dat Hij de Messias was, zonder wien het koninkrijk Gods niet komen kon, èn dat Hij het was in gansch anderen zin, dan zijne tijdgenooten in hunne aardschgezinde verwachtingen zich dit voorstelden. In Dan. 7 :13 is de naam: een als eens menschen zoon, aanduiding van den Messias. Vele exegeten denken wel bij dien term aan het volk der heiligen, omdat vers 18, 22 en 27 zeggen, dat aan dat volk der heiligen het koninkrijk gegeven wordt, op dezelfde wijze, als dit in vers 14 aan den menschenzoon geschonken wordt. Maar dit gevoelen is niet houdbaar. Want de menschenzoon komt met de wolken des hemels en plaatst zich voor den Oude van dagen, maar het volk der heiligen is op aarde, lijdt en ziet verlangend naar de verlossing uit. Voorts wordt in vers 17 wel gezegd, dat de vier dieren vier koningen zijn, maar van den menschenzoon, die in vers 14 reeds het koninkrijk ontvangt, komt geene nadere verklaring voor. Eindelijk wordt in vers 20 wel krijg gevoerd tegen het volk der heiligen, maar van den menschenzoon is geen sprake. Blijkbaar is de menschenzoon de

■du fils de 1' homme. Paris Fischbacher 1897, die bl. 7 litteratuur geeft. Wernle, Die Reichsgotteshoffnung in den aeltesten christl. Dokumenten und bei Jesus. Tüb. 1903. Traub, Die Gegenwart des Gottesreiches in den Parabeln vom Senfkorn und Sauerteig, vom der selbst wachsenden Saat, dem Unkraut und dem Fischnetz, Zeits. f. Th. u. K. 1905 bl. 58—75. Gottschick, Reich Gottes in PRE3 XVI 783—806. Orr, Kingdom of God in Hastings, DB II 834—856. Bcirtmann, Das Himmelreich und sein König nach den Synopt. bibl. dogm. dargestellt. Paderborn 1906. J. Boehmer, Der religionsgesch. Rabmen des Reiclies Gottes. Leipzig 1909. Verg. ook Wegener, A. Ritschls Idee des Reiches Gottes im Lichte der Gesch. leipzig 1898. J. Weiss, Die Idee des Reiches Gottes in der Theol. Giesaen 1901.

*) Holtzmann, t. a. p. I 284.

2) Strassburg 1888, 2» Aufl. 1892, 3e Aufl. 1903.

Sluiten